Home I Inloggen
 
Thema
Organisatie en tips
Verzekeringen
Wet- en regelgeving
Fuifbeleid
Infrastructuur
 
 
Algemeen
Over Fuifpunt
Nieuws
Aanbod Fuifpunt
 
Fuifpunt ondersteunt fuiforganisatoren en beleidsverantwoordelijken door het aanreiken van informatie over de organisatie van een fuif en het opzetten van een lokaal fuifbeleid.
Fuifpunt is een product van Steunpunt Jeugd. Steunpunt Jeugd is het kennis- en expertisecentrum over jeugd, jeugdwerk en jeugdbeleid. Steunpunt Jeugd zet zich in voor kinderen, jongeren en hun organisaties.
Ga naar de website van Steunpunt Jeugd
Home > FAQ over wetgeving

FAQ over wetgeving

Contact

Sinds januari 2006 kan de gemeente grotendeels zelf beslissen volgens welke modaliteiten ze de vergunning sterke drank aflevert. Kan de gemeente zelf bepalen dat ze de moraliteitsvoorwaarden van occasionele drankgelegenheden wil controleren?
Bij gebrek aan een uitdrukkelijke wetsbepaling die gemeentelijke overheden verplicht op basis van een voorafgaande aanvraag de moraliteitsvoorwaarden na te gaan van de organisator van een occasionele drankgelegenheid, kan een gemeente autonoom beslissen in hoeverre deze voorwaarden moeten worden nagegaan voor occasionele drankgelegenheden. In de praktijk was het immers zo dat de organisator een aangifteformulier 240B moest indienen bij de ontvanger der accijnzen waarvan het moraliteitsattest (formulier 240i) deel van uitmaakte. Dit moraliteitsattest kon men verkrijgen bij de gemeente nadat de gemeente was nagegaan dat de organisator zich op dat ogenblik niet in van de gevallen als bedoeld in art. 11, W. 28 december 1983 bevond. Aangezien dit formulier 240i geldig was gedurende een periode van 5 jaar, rees de vraag wat het nut van dergelijk formulier was, wetende dat de organisator tijdens deze periode van 5 jaar ondertussen een veroordeling zou kunnen oplopen van de feiten die worden beoogd in voormeld artikel 11. (wet van 14 december 2005 houdende administratieve vereenvoudiging II die op 28 december 2005 gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad en die vanaf 7 januari 2006 in werking trad.

Gelden voor privéfuiven dezelfde regels als voor openbare fuiven?
Privé-feestjes en dus ook privéfuifjes vallen in principe niet onder dezelfde regels als fuiven, maar uiteraard wel onder de algemene regels van openbare orde, nachtlawaai, burenhinder, enz. waartegen de politie altijd kan optreden.Een privéfuif moet dus niet gemeld worden en hoeft geen vergunningen, maar kan ook steeds stilgelegd worden door de politie omwille van de hierboven opgesomde redenen. Opgelet! Ook als je een privéfuif geeft moet je sabam en billijke vergoeding betalen. Ook al bestaat geen wettelijke meldingsplicht (en kan ze door de gemeente niet ingesteld worden) voor privéfeestjes, het is uiteraard aangewezen om de buren (en eventueel zelfs de politie) op de hoogte te brengen van je initiatief. Zo laat je zien dat je rekening wil houden met de nachtrust van de omwonenden en dat je klachten zoveel mogelijk wil voorkomen. Iemand die op voorhand verwittigd is, zal niet zo vlug een klacht indienen en zal eerder zoeken naar een aanvaardbaar compromis als bijvoorbeeld de muziek te luid staat.

Wat is VLAREM en wat regelt het?
Gezien de toenemende druk op ons leefmilieu is voor heel wat activiteiten een milieuvergunning verplicht. De algemene regels hiervoor zijn vastgelegd in het decreet op de milieuvergunningen. De uitvoeringsbesluiten van dit decreet zijn genoemd VLAREM 1 en VLAREM 2. Zij regelen de concrete invulling. VLAREM 1 geeft de lijst van activiteiten die als hinderlijk worden beschouwd, de procedure die gevolgd moet worden om een vergunning te verkrijgen, wie controle uitoefent, enz. De activiteiten zijn ingedeeld in drie categorieën volgens de hinder die zij veroorzaken. Voor elke categorie ("klasse" genoemd) geldt er een andere procedure en/of is andere overheid verantwoordelijk. Klasse 3-activiteiten = meldingsplichtige inrichtingen. Ze zijn weinig hinderlijk of eerder kleinschalig. Vooraleer de activiteit kan starten dient de uitbater het college van burgemeester en schepenen hiervan schriftelijk in te lichten. Klasse 2 en 1-activiteiten = vergunningsplichtige inrichtingen. Het gaat om activiteiten die hinderlijker zijn en die, bijgevolg, aan een uitdrukkelijke, voorafgaandelijke en schriftelijke toelating van de overheid zijn onderworpen. Voor klasse 2 activiteiten is het college van burgemeester en schepenen bevoegd (gemeente); voor klasse 1 is dit de bestendige deputatie (provinciebestuur). VLAREM 2 Zowel aan de bovenstaande klasse 3 als aan de klasse 2 en 1 activiteiten, worden in de milieuregelgeving een aantal voorwaarden opgelegd. Deze voorwaarden zijn gebundeld in het zgn. VLAREM 2. Naast deze voorwaarden die in VLAREM zijn vastgelegd, kan de overheid die de vergunning aflevert nog bijkomende voorwaarden opleggen.

Wat voor gevolgen heeft VLAREM i.v.m. het organiseren van fuiven?
VLAREM heeft geen rechtstreekse gevolgen voor het fuiven zelf of op het organiseren van fuiven. Het heeft wel gevolgen voor de zaal waarin gefuifd wordt. En dan nog voor zover de zaal onder VLAREM valt. VLAREM heeft tot gevolg dat er een aantal voorwaarden gelden op vlak van (brand)veiligheid, toe- en uitgangswegen, uitrusting van het gebouw en geluidsnormen (zie ook geluid). Zo dient er bijvoorbeeld in sommige gevallen een volledig akoestisch onderzoek worden uitgevoerd door een deskundige op vlak van geluid. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen bestaande zalen en nieuwe zalen. Bij klachten kan de overheid die de vergunning aflevert bijkomende voorwaarden of een saneringsplan opleggen. Indien de uitbater niet over een milieuvergunning beschikt en de zaal volgens de regels van VLAREM over een vergunning moet beschikken, kan de burgemeester of toezichthoudende ambtenaren de zaal sluiten.

Hoe kan je controleren of een bepaalde zaal een milieuvergunning heeft?
Of een zaal al of niet beschikt over een milieuvergunning kan nagekeken worden op het gemeentehuis. Op basis van de regels van openbaarheid van bestuur heeft iedereen recht op inzage in de afgeleverde milieuvergunningen en meldingen en eventuele kopie hiervan. In sommige gemeenten heeft men ook een eenloketsysteem voor feesten en fuiven waar je deze informatie kan vinden. Indien een zaal niet over een milieuvergunning betekent dit dat ofwel de zaal niet vergunningsplichtig is ofwel geen vergunning heeft aangevraagd en in feite in overtreding is

Zijn er afwijkingen van de geluidsnormen mogelijk?
Voor de zalen met een milieuvergunning liggen de normen vervat in de vergunning. Deze zijn door de goede isolatie e.d. van de zaal meestal wel voldoende hoog voor het organiseren van fuiven, optredens, bals, enz. Voor activiteiten in openlucht, zoals fuiven, festivals, kermissen, kerstmarkten,... en voor activiteiten in een zaal die geen milieuvergunning nodig hebben zijn de geluidsnormen bepaald door het KB van ‘77. Voor deze activiteiten kan echter wel een afwijking bekomen worden van de normen opgelegd door het KB van 24/02/1977. Je kan een afwijking bekomen bij het gemeentebestuur. Bij de documenten vind je hiervoor een formulier.

Wat zijn de regels voor het lawaai buiten de zaal of buiten de fuifruimte in openlucht of tent? Wie is verantwoordelijk?
Om deze vraag te beantwoorden moet een onderscheid gemaakt worden tussen het lawaai afkomstig van de muziek van de fuif en lawaai afkomstig van bijvoorbeeld roepende fuifgangers, toeslaande portieren, vertrekkende auto's en brommers, muziekinstallaties in auto. Voor het niveau van de muziek afkomstig van de fuif zijn ook normen bepaald voor de omgeving, zowel in het VLAREM (dus geldend voor zalen die een milieuvergunning moeten hebben) als in het KB van (alle andere zalen en openlucht en tenten). In een ingedeelde inrichting blijft de zaaluitbater in principe verantwoordelijk voor het naleven van de in de milieuvergunning vastgelegde geluidsnormen. Maar hij/zij kan proberen de schade te verhalen op de organisator als die de geluidsnormen niet respecteert. Bij een niet-ingedeelde inrichting kunnen verschillende mensen gestraft worden als de geluidsnormen niet gerespecteerd worden. De personen die inrichtingen of toestellen onder zich heeft. Als het gaat om een vereniging dan wordt hiermee bedoeld de verantwoordelijke die op dat moment aanwezig was en eventueel de verantwoordelijke persoon die niet aanwezig was, maar die niet voldoende voorzorgen heeft genomen. De persoon die de toestellen heeft bediend, bij voorbeeld de deejay of de geluidstechnicus achter de P.A. De persoon die zich verzet heeft tegen de controle. Alle andere vormen van geluidshinder vallen onder nachtlawaai. Artikel 561 van het strafwetboek omschrijft nachtgerucht (ook wel: nachtlawaai) als volgt: lawaai dat nachts gemaakt wordt en waardoor de rust van de omwonenden wordt verstoord. Zij die het lawaai veroorzaken zijn verantwoordelijk. Dit kan ook niet de organisator van de dansactiviteit/fuif of de uitbater zijn als het lawaai inherent is aan de activiteit die georganiseerd wordt, bijv. trillende muren. Het is de politie die kan/moet optreden tegen degenen die nachtgerucht veroorzaken. Sinds 1 april 2005 was in het kader van de Gemeentelijke Administratieve Sancties verstoring van de nachtrust van het Strafwetboek uit de strafwet gehaald.De wetgever liet het aan de gemeente over om deze inbreuken te bestraffen met een administratieve geldboete , voorwaarde is dat de inbreuk is opgenomen in het politiereglement. Met de wet van 20 juli 2005 (BS 29 juli 2005) is het artikel over nachtlawaai terug ingevoerd in het strafwetboek. Verstoring van de nachtrust wordt nu gerekend onder de gemengde inbreuken. De gemeente kan enkel een administratieve boete opleggen als het Parket niet vervolgt, en op voorwaarde dat ze nachtlawaai strafbaar stelt in het politiereglement.

Wat is een geluidsbegrenzer? Is dit verplicht?
Een geluidsbegrenzer is een apparaat dat het geluid tijdelijk onderbreekt of vervormt indien bepaalde normen overschreden worden. Het is preventief van aard. Het voorkomt dat normen overschreden worden. Meestal wordt de DJ via een waarschuwingssignaal ingelicht (bijvoorbeeld een zwaailicht). Geluidsbegrenzers zijn tot eind 2012 niet verplicht, maar ze zijn uiteraard een handige hulp om te vermijden dat de normen worden overschreden. Vanaf 1 januari 2013 gaan de nieuwe geluidsnormen voor muziekactiviteiten van kracht. Binnen categorie 1 en 2 zal je verplicht zijn te meten. Het gebruik van een correct afgestelde begrenzer is gelijkwaardig aan deze verplichting.

Als affiches
Indien affiches wild geplakt zijn zal men indien mogelijk (bijvoorbeeld bij betrappen op heterdaad) eerst de plakker aanspreken. Indien de plakker niet gekend is, dan zal de verantwoordelijke uitgever aangesproken worden, in tweede instantie de organiserende vereniging en in laatste instantie de drukker. De verantwoordelijke uitgever moet een meerderjarige inwoner van België zijn. Hij/zij moet met volledige naam en adres op de affiche vermeld worden. De Besluitwet van 1945 die het aanplakken van affiches strafbaar stelt is opgeheven sinds 1 april 2005. Gemeenten kunnen het aanplakken van affiches bestraffen met een administratieve geldboete, voorwaarde is dat de inbreuk is opgenomen in het politiereglement. Gemeentes voorzien vaak specifieke plaatsen waar er wel affiches mogen gehangen worden. Voor je je plaktoer begint, informeer je je best over de mogelijkheden en de voorwaarden die er in jouw gemeente aan aanplakken verbonden zijn. TIP : Het is aangeraden de gemeentelijke regels hierover ook op te nemen in een draaiboek of checklist als deze bestaan. TIP : In sommige gemeenten kan je je affiches laten plakken door de stadsdiensten, tegen een vergoeding, en in sommige gevallen zelfs gratis. TIP : Zorg na de fuif voor opruiming, zeker van de publiciteitsborden.

Mag de organisator zelf wegaanduidingen of wegwijzers plaatsen naar de fuif?
Je hebt daarvoor de toestemming van het College van Burgemeester en Schepenen nodig. Voor gewestwegen moet je een schriftelijke aanvraag indienen bij de Provinciale afdeling Wegen van het Ministerie van het Vlaamse Gewest. Je krijgt dan, in principe, een toelating met daarbij de voorwaarden (grootte van de wegwijzers, plaatsen waar je ze mag hangen, richtlijnen over de zichtbaarheid voor de weggebruikers). Op de jeugddienst of de algemene gemeentelijke diensten zal men je zeker kunnen vertellen welke wegen gemeentelijk, provinciaal of gewestelijk zijn, en welke diensten je moet aanschrijven om toelating te vragen.

Waar mag je affiches plakken om een fuif, optreden e.d. bekend te maken?
Er zijn maar weinig legale plakplaatsen (meestal plakzuilen of plakborden). Je mag dan ook enkel aanplakken op plaatsen die door de gemeente bestemd zijn voor het aanplakken en op private plaatsen als je de schriftelijke toestemming hebt van de eigenaar of gebruiksgerechtigde. Uiteraard is het plakken op elektriciteitscabines, privé-eigendommen, bushokjes en dergelijke uit den boze en strafbaar. De besluitwet van 29 december 1945 stelde aanplakkingen strafbaar. De besluitwet werd op 1 april 2005 afgeschaft. Het gevolg is dat deze 'gedragingen' niet meer strafbaar zijn, tenzij ze werden opgenomen in het gemeentelijk politiereglement. De gemeente kan wildplakken dan bijvoorbeeld bestraffen met een administratieve geldboete. Voor meer info zie » Beleid » Regelgeving » gemeentelijke bevoegdheden » gemeentelijke administratieve sancties) TIP : Vermijd bij het aanplakken dat je affiches van andere verenigingen waarvan het aangekondigde evenement nog niet voorbij is, overplakt. Zo loop je minder kans dat andere verenigingen ook jouw affiches overplakken. Bedenk ook dat je grote affiches moeilijker kwijt kan in winkels en dat ze vlugger overplakt worden wegens plaatsgebrek op de plakzuilen.

Moet je nog aanplakkingstaks betalen voor affiches?
Sinds 1 januari 2007 zijn alle affiches die kleiner zijn dan vierkante meter vrijgesteld van aanplakkingtaks. Naast de A3-affiches, zijn dus ook A2-affiches (formaat 42x59,4cm), A1-affiches (formaat 59,4x84,1cm) en de A0-affiches (formaat 84,1x118,9cm) vrijgesteld van de aanplakkingstaks. Voor de affiches groter dan 1m² blijft de aanplakkingtaks verschuldigd. Organisaties met een liefdadig karakter, moeten geen zegel aanbrengen op affiches. Je moet dan wel vermelden: Vrij van zegel, art. 198, 7e Wetboek der taksen. Als je affiche ook publiciteit bevat van een sponsor is deze ook vrij van zegelrecht zolang het hoofdobject van je affiche het aankondigen van de activiteit is. Het al dan niet liefdadige karakter van een organisatie wordt echter heel eng geïnterpreteerd. Enkel als je de winst besteedt aan een liefdadig doel en iedereen belangeloos meewerkt, is er een vrijstelling. In de praktijk worden echter enkel grote organisatoren aangepakt bij overtreding. De boetes kunnen in geval van zware overtredingen en fraude oplopen van 5 tot 20 maal de ontdoken belasting. Meestal echter wordt 50% of zelfs minder extra aangerekend.

Mogen overal strooibriefjes uitgedeeld worden om reclame te maken?
Ja, maar je bent verplicht om de verantwoordelijke uitgever en adres te vermelden. Om problemen te vermijden is het zeker interessant om volgende zin te vermelden op je strooibriefje "Bij politiebevel niet op de openbare weg gooien". Als je er aan denkt om op privé-plaatsen of in privé-eigendommen iets uit te delen, denk er dan aan dat je steeds de toelating vraagt aan de eigenaar (bijv. in een café, school, een ander evenement,...).

Waar mogen publiciteitsborden gezet worden?
Vele gemeenten geven aan verenigingen de kans om aankondigingsborden vast te maken aan gemeentelijke portieken op welbepaalde plaatsen. De voorwaarden hiertoe verschillen van gemeente tot gemeente en kunnen aangevraagd worden op de jeugddienst of andere gemeentelijke diensten. De regels hieromtrent kunnen ook opgenomen zijn in een checklist of draaiboek. In ieder geval mogen op eigen initiatief geen borden geplaatst worden op de openbare weg. In sommige gemeenten heb je een bouwvergunning nodig voor borden langs de weg. Gezien de meeste invalswegen gewestwegen zijn, moet je bij de provinciale dienst “Wegen en verkeer†toelating vragen. Het plaatsen van panelen is alleen toegestaan: voor socio-culturele verenigingen , met een maximum van 2 borden per gewestweg, enkel binnen de eigen gemeentegrenzen, voor panelen met een maximale grootte van 0.75 m² (A0-formaat is te groot!), moeten op eigen dragers staan (dus niet bevestigen aan lantaarnpalen, verkeersborden,…) en als geen hinder opleveren voor het verkeer (dus voldoende afstand van de rijbaan). De vergunning wordt gemeente aangevraagd bij de provinciale dienst Wegen en Verkeer van het Vlaamse Gewest. Ze geldt 14 dagen voor het evenement en tot 7 dagen erna. Overtredingen worden strafrechtelijk vervolgd en beboet. Er mogen geen verkeerstekens afgebeeld zijn op de borden of affiches en fluorescerende affiches moeten op minstens 75 meter afstand van verkeerslichten geplaatst worden. Op privé-grond heb je de toestemming van de eigenaar nodig. Eén tip slechts: overdrijf niet. Twijfel je, navraag op de dienst ruimtelijke ordening van je gemeente.

Hoeveel bezoekers mogen er in een zaal en wie bepaalt dat?
Via het preventieverslag van de brandweer of het zogenaamde brandweerattest (op basis van het gemeentelijk reglement) worden diverse aspecten geregeld om de kans op brand en de gevolgen daarvan te beperken of controleerbaar te maken. Eén van die aspecten is het aantal aanwezigen dat toegelaten mag worden in zalen en andere publieke ruimten. Voor elke zaal (los van milieu- of andere vergunningen) geldt dat de brandweer dit bepaalt en hiervan een attest aflevert. Naast het aantal aanwezigen zijn volgende aspecten van groot belang: de brandbestrijdingsmiddelen (brandblussers, detectoren), het gebruik van veilige (elektrische) installaties (AREI, algemeen reglement op de elektrische installaties), veiligheidsverlichting, vluchtwegen.

Als een zaal over een milieuvergunning beschikt, hebben allerlei gemeentelijke voorschriften, politieverordeningen, voorschriften van de brandweer, enzovoort dan nog enig nut?
Indien de milievergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd, kan de burgemeester dwangmaatregelen treffen, zoals de (tijdelijke) sluiting van de inrichting. De gemeentelijke bevoegdheid om politieverordeningen uit te vaardigen is beperkt tot de materies die niet geregeld zijn door hogere overheden. Gezien inrichtingen met een milieuvergunning onder het milieuvergunningsdecreet en de VLAREM vallen, kan de gemeenteraad dus geen politiereglementen uitvaardigen voor deze inrichtingen. Bij de aflevering van de vergunning heeft het college van burgemeester en schepenen de mogelijkheid om bijzondere voorwaarden op te leggen in de milieuvergunning, ter bescherming van de mens en het leefmilieu. Dit wordt bepaald in Art.20, derde lid van het milieuvergunningsdecreet (28 juni 1985). De brandveiligheidsnormen zijn een onderdeel van VLAREM, men kan dus geen milieuvergunning krijgen als men niet voldoet aan die normen.

Hoe kan een fuifverzekering afgesloten worden?
De gewone verzekering Burgerlijke Aansprakelijkheid -privé-leven dekt een aantal dingen niet die je in verenigingsverband doet. Je doet er goed aan een verzekeringspolis ‘burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten voor de schade die door een fout, een onvoorzichtigheid of een nalatigheid van één of meerdere van deze vrijwilligers werd toegebracht aan derden. In de meeste gevallen wordt deze schade immers niet gedekt door de klassieke ‘familiale’ polis van de betrokkene, als die er al is. Zonder bijkomende verzekering Burgerlijke Aansprakelijkheid kan de organisator opdraaien voor schade die voortvloeit uit de organisatie. Bij een feitelijke vereniging zal dit altijd op de verantwoordelijke persoon worden verhaald. Heeft de organisatie een vzw-structuur, dan zal de schade normaal op de vereniging worden verhaald. Wat de bijkomende verzekering betreft heb je twee mogelijkheden:Je sluit een dagverzekering af, bovenop de bestaande verenigingspolis, dit is het meest raadzame als je slechts af en toe iets organiseert. matig evenementen op poten zet, sluit je best een BA exploitatie of uitbating af op jaarbasis. Een verzekering BA is echter geen ontlasting van mogelijke schuld. Je moet er dus steeds voor zorgen dat de organisatie goed is opgezet en dat het risico dat er iets fout loopt, zo klein mogelijk wordt gehouden. De schade mag dus niet te wijten zijn aan eigen schuld, een actieve daad of nalatigheid. Meestal zijn enkel de organisator en zijn ‘afgevaardigden’ (de personen betrokken bij de organisatie) die schade berokkenen, gedekt door dergelijke verzekering. De verzekering Burgerlijke Aansprakelijkheid dekt twee soorten schade. Lichamelijke van medische kosten tot een invaliditeitsuitkering. Let op! Alles wahuurde zaal, materialen,… wordt dus niet gedekt door de verzekering Burgerlijke Aansprakelijkheid.TIP: Veel gemeentelijke zalen burgerlijke als contractuele aansprakelijkheid dekt. Vraag dit na als je een zaal huurt.

Wij willen op onze fuif graag een cocktailbar, mag dit zomaar?
Vroeger had je voor het schenken van alcoholische dranken met meer dan 1,2%vol gedistilleerde alcohol een vergunning sterke drank nodig. Met een formulier 240i (bewijs van goed gedrag en zeden + attest) kon je terecht bij Douane en Accijnzen in je regio voor de aanvraag van een formulier 240b voor sterkedrank. Sinds januari 2006 ligt de verantwoordelijkheid voor de vergunning sterke drank bij de gemeente. Het is de gemeente die beslist of en onder welke vorm ze een vergunning voor het schenken van sterke drank aflevert. Er is geen vergunning nodig voor bieren, wijnen, mousserende en andere al dan niet gegiste dranken en tussenproducten. Porto, sherry en martini mag je schenken zonder vergunning; voor het schenken van alcoholpops, pisang, campari, whisky-cola, gin-tonic, jenevers, kan een vergunning vereist zijn. Je gaat best eens langs bij de jeugddienst in je gemeente om je te informeren over hoe dit voortaan in je gemeente geregeld wordt. Als je tijdens een fuif een cocktailbar wil inrichten, is een strikte scheiding met de rest van het fuifgebeuren sterk aan te raden. Op de fuif zullen immers ook minderjarigen aanwezig zijn, wettelijk mag je hen geen sterkedrank schenken, anders ben je strafbaar. Als je een cocktailbar inricht in een aparte ruimte kan je verplichten de dranken te verbruiken in deze ruimte zodat er een betere controle mogelijk is. Als je dan ook nog duidelijk afficheert dat sterkedrank verboden is voor de min 18-jarigen en als er ook niet-alcoholische cocktails worden voorzien, kan je veel problemen vermijden.

Hoe moet je optreden tegen fuivers of feesters die duidelijk dronken zijn?
Volgens art. 1 (Besluitwet van 14 november 1939) is er sprake van openbare dronkenschap als je op een openbare plaats zo onder de invloed van de drank bent dat je niet meer beschikt over de bestendige beheersing van uw daden, zelfs zonder er noodzakelijk het besef van te hebben verloren. We willen er wel op wijzen dat deze wet in de eerste plaats van toepassing is op cafébazen, die met een beperkt publiek werken en hun pappenheimers kennen. Op een massaevenement als een fuif, waar verschillende tappers aan het werk zijn, en dan nog liefst in verschillende ploegen, is zij veel moeilijker hard te maken. Het kan nuttig zijn dat de organisator op voorhand eens nadenkt wat de te volgen strategie moet zijn bij gevallen van zware dronkenschap. Mogelijke denkpistes zijn : - begeleiding en of vervoer naar huis voorzien - leg een fuifbus in zodat bezoekers veilig worden thuis gebracht. - een plaats voorzien waar de ergste gevallen kunnen ontnuchteren. Opmerking: dronken mensen ontzeg je best de toegang tot je fuif.

Wat kan je als organisator ondernemen om fuifgangers duidelijk te maken dat je geen drugs op je fuif tolereert?
Om problemen als deze te voorkomen, kan het nuttig zijn dat de organisator van de fuif op de fuif zelf een sterke boodschap uitstraalt dat drugs niet welkom zijn op de fuif en dat druggebruik niet getolereerd zal worden. Dit kan o.a. door affiches en via de discobar. Ook het inzetten van drugcoaches kan een signaal zijn en in situaties waar moeilijkheden worden verwacht, is een voorafgaand gesprek met de politie misschien zinvol. We willen wel benadrukken dat we het hier hebben over een constructief, preventief gesprek dat op vrijwillige basis wordt aangegaan door beide partijen.

Mag een fuif gratis toegankelijk zijn? Wie bepaalt de inkomprijs?
Een fuif of optreden mag best gratis zijn. De organisator beslist zelf hoeveel de toegangsprijs bedraagt. Het klopt echter niet dat je niets aan SABAM moet betalen als er gratis inkom is.

Mag vanaf een bepaald uur de toegangsprijs veranderd worden (verlagen, verhogen, afschaffen)?
Dit mag zeker. Het is de beslissingsbevoegdheid van de organisator om de prijs te bepalen.

Mag er geld gevraagd worden voor gebruik van de toiletten of de vestiaire?
Je mag geld vragen voor het gebruik van de toiletten of de vestiaire. Houdt er wel rekening mee dat de gebruikers dan betalen voor een dienst. Dat beïnvloedt de verantwoordelijkheid van de organisator. Een onbewaakte, gratis vestiaire is op eigen verantwoordelijkheid. Een vestiaire waarvoor betaald wordt, valt onder de verantwoordelijkheid van de organisator.

En wat als het contract met de gemeentelijke zaal bepaalt dat je min-16-jarigen moet weigeren?
Vooreerst is er in een gemeentelijke zaal meestal geen handelskarakter en dus geen wettelijke basis om iemand te weigeren. Bovendien mag de overheid ook geen bevolkingsgroepen discrimineren (grondwettelijk gelijkheidsbeginsel). M.a.w. controle op leeftijd is volledig uit den boze.

Moet je sowieso elk min-16-jarige buiten houden op jouw fuif in een zaal met handelskarakter?
Een vereniging heeft het recht om haar eigen leden uit te nodigen op haar jaarlijkse fuif, ook al zijn die geen 16 jaar. De leden staan dan onder het toezicht van de volwassen begeleiders. Als je echt moeilijkheden met de gemeente verwacht, laat je de ouders desnoods een papier tekenen waarbij zij bevestigen dat hun kinderen onder toezicht staan van de volwassen begeleiders. Een min-16-jarige die dan geen lid is van de vereniging kan dan uiteraard niet binnen.

Wie mag wie weigeren op een fuif?
De wet stelt echter duidelijk dat men niet zomaar min 16-jarigen mag weigeren op een fuif waar geen handelskarakter is (bijvoorbeeld een fuif van en in het jeugdhuis). Enkel wanneer een jeugdhuis een sluitend lidkaartensysteem heeft en op haar lidmaatschap een leeftijdsgrens zet van 16 jaar heeft dit jeugdhuis het recht deze jongeren te weigeren. Maar stel nu dat je fuif wel degelijk plaatsvindt in een particuliere zaak, waardoor er dus wel sprake is van een handelskarakter. Burgers hebben wettelijk niet het recht om de identiteit van andere burgers te controleren. Als je bij een fuif in een zaal met handelskarakter twijfelt of iemand al dan niet 16 is, mag je aan deze persoon wel vragen of hij/zij zijn/haar leeftijd kan bewijzen. Kan of wil die persoon dat niet, dan heb je het recht deze de toegang te weigeren. Als je iemand wil weigeren die jonger is dan 16 jaar of dronken is en je stelt daarvoor speciaal iemand aan (personeel of vrijwilliger aan de ingang) dan valt dat (volgens de interpretatie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken) wel degelijk onder de bewakingswet. Je moet dat dan melden aan de burgemeester en de namen van de mensen die de controle doen doorgeven. Wat valt niet binnen de bewakingswet? De personen die verantwoordelijk zijn voor de ticketcontrole en –verkoop kunnen iemand de toegang weigeren als deze personen ook wettelijk geen toegang hebben. Bijvoorbeeld omdat ze geen ticket hebben, geen 16 jaar zijn of in dronken toestand verkeren. Als je aan de personen in kwestie geen ticket verkoopt kan je hen uiteraard de toegang weigeren. Besluit: je mag niet iemand speciaal aanstellen om dronkaards of min-16-jarigen buiten te houden, maar je kan er wel voor zorgen dat hen geen toegangsticket wordt verkocht.

Wie is verantwoordelijk voor nachtlawaai? Mag je hier als organisator tegen optreden?
Voor 1 april 2005 stelde artikel 561 van het strafwetboek nachtlawaai strafbaar. Dit artikel omschrijft nachtgerucht (ook wel: nachtlawaai) als volgt: lawaai dat 's nachts gemaakt wordt en waardoor de rust van de omwonenden wordt verstoord. Door de wetswijziging van 17 juni 2004 werd artikel 561 eerst geschrapt uit de strafwet in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties. Sinds 1 april 2005 kon de gemeente nachtlawaai administratief sanctioneren op voorwaarde dat ze nachtlawaai strafbaar stelt in het politiereglement. Met de wet van 20 juli 2005 (BS 29 juli 2005) is het artikel over nachtlawaai terug ingevoerd in het strafwetboek. Verstoring van de nachtrust wordt nu gerekend onder de gemengde inbreuken. De gemeente kan enkel een administratieve boete opleggen als het Parket niet vervolgt, en op voorwaarde dat ze nachtlawaai strafbaar stelt in het politiereglement. Dit neemt niet weg dat het in ieders belang is in de mate van het mogelijke maatregelen te nemen om dit nachtgerucht te beperken. Immers te veel overlast noopt gemeentebesturen juist tot het nemen van (strenge) maatregelen ter bescherming van openbare orde die als gevolg kunnen hebben dat de fuifmogelijkheden beperkt worden. Dergelijke voorzorgsmaatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat afspraken gemaakt worden met de lokale politie voor het uitvoeren van preventieve patrouilles. Er kunnen bijvoorbeeld stewards ingezet worden bij grote manifestaties die op parkings alles in goede banen leiden. Let wel, deze stewards kunnen nooit de bevoegdheden van politie uitoefenen en het gemeentebestuur kan de organisator hiertoe ook niet verplichten. Organisatoren kunnen ook niet verantwoordelijk gesteld worden voor wat buiten de fuifruimte of zaal gebeurt. Wel voor wat binnen de fuifruimte gebeurt. Maar ook locatie en omgeving van de zaal kunnen bijdragen tot het beperken van de overlast.

Zijn affiches met de vermelding
Zo'n affiches, zeker als het gaat over diefstal, hebben geen enkel nut als je met een betalende vestiaire werkt. Dan ben je sowieso verantwoordelijk. Zo'n affiches hebben wel nut als je ze schrijft in de trant van "de vestiaire is gratis, er is geen bewaking voorzien, je jas ophangen is dan ook op eigen verantwoordelijkheid."

Ik heb het formulier tot aanvraag uitzondering geluidsnormen van het KB van 24/02/1977 ingevuld. Aan wie moet ik dit terugsturen?
De aanvraag voor een uitzondering op de geluidsnormen die gelden voor niet-ingedeelde inrichtingen (zalen zonder milieuvergunning of openlucht- en tentfuiven) stuur je naar de burgemeester. Het is overigens verplicht om voor openluchtfuiven een aanvraag in te dienen, je kan dan best tegelijkertijd ook een uitzondering op de geluidsnormen aanvragen.

Welke kleuren(combinaties) mag je niet gebruiken voor affiches?
Vroeger mocht je geen affiches gebruiken die zwarte inkt combineren met een witte achtergrond, deze combinatie was voorbehouden voor de overheid. Recent is via Artikel 2 van de wet houdende administratieve vereenvoudiging van 13 februari 2005 het decreet van 22-28 juli 1791 tot regeling van de kleur van de aanplakbiljetten opgeheven. Wat zegt dit decreet? « Alleen de aanplakbiljetten die uitgaan van het openbaar gezag mogen gedrukt worden met zwarte letters op een witte achtergrond. Op straffe van een politiegeldboete moet elke natuurlijke of rechtspersoon hetzij minstens één steunkleur gebruiken, hetzij een zwarte achtergrond gebruiken met witte letters. » Het decreet is naar de prullenmand verwezen, voortaan mag je dus ook affiches maken met een witte achtergrond en zwarte letters.Zwart op geel wordt gebruikt voor notariële aankondigingen, maar je mag deze kleuren wel gebruiken voor affiches.

Kan een vereniging bij een grootschalig evenement verplicht worden om erkende bewakingsfirma's in te zetten?
Je kan als fuiforganisator niet verplicht worden via een politiereglement of door een besluit van de burgemeester om een erkende bewakingsfirma in te schakelen. Toch is het raadzaam bij een fuif of evenement waar je heel veel bezoekers verwacht voldoende aandacht te besteden aan de veiligheid en overleg te plegen met het lokale bestuur en de politie. Het is enkel de burgemeester die het initiatief kan nemen om een veiligheidsoverleg op te zetten met de fuiforganisator. Het komt voor dat gemeenten in het gebruikersreglement van hun eigen gemeentelijke infrastructuur clausules opnemen waarin er voorwaarden worden gesteld om de infrastructuur te mogen huren. Is dat het geval, dan moet men er vooral op toezien dat deze voor iedereen dezelfde zijn, anders bezondigt men zich aan discriminatie.

Mogen minderjarigen helpen op een fuif?
Voor het praktisch organiseren of meehelpen aan een fuif moet je uiteraard geen 18 jaar zijn. Min 16-jarigen mogen geen alcohol drinken, en sterkedrank is voor alle minderjarigen uit den boze. Maar in principe mogen minderjarigen alle dranken schenken, je zorgt er natuurlijk best voor dat dit gebeurt onder toezicht van een meerderjarige. Om op te treden als (burgerrechterlijke) verantwoordelijke moet je wel meerderjarig zijn. Een minderjarige mag bijvoorbeeld nooit een contract ondertekenen omdat een min-18-jarige burgerrechtelijk niet handelingsbekwaam wordt geacht door de wetgever. Het is raadzaam om minderjarigen die meehelpen aan een fuif te laten bijstaan door een meerderjarige die de verantwoordelijkheid op zich neemt.

Klopt het dat het verplicht is bij elke fuif in een tent een brandweercontrole uit te voeren?
Om te weten te komen welke verantwoordelijkheden je als fuiforganisator op dit vlak hebt, kan je best eens nagaan wat er in het gemeentelijke reglement rond brandveiligheid bepaald is. Het spreekt voor zich dat ook tentfuiven aan de nodige vereisten op het gebied van (brand)veiligheid moeten voldoen. Bij grootschalige evenementen is er normaalgezien sowieso vooraf veiligheidsoverleg met de gemeente en politie, brandweer,... waarbij je nuttige tips krijgt om je evenement zo veilig mogelijk te maken.

Als je een privéfuif geeft met een optreden, en je vraagt geen inkom, moet je dan sabam en billijke vergoeding betalen?
Als je muziek laat horen (live of opgenomen) op een fuif of een feestje dat behoort tot het beschermde wereldrepertorium dan moet je SABAM betalen. Ook als het gaat om een privéfuif en ook al vraag je geen inkom. Als je muziek laat horen die vooraf opgenomen is (m.a.w. cd's, platen,...) dan ben je verplicht om billijke vergoeding te betalen. Je hoeft dus geen billijke vergoeding te betalen als er die avond geen vooraf opgenomen muziek wordt gedraaid, of wanneer de zaaluitbater het jaartarief dans (in het geval van een fuif) heeft betaald.

Als het college een uitzondering toestaat op de geluidsnormen vastgelegd in het KB van 24/02/1977, kan het aan die uitzondering dan bijkomende voorwaarden koppelen?
Dat kan. Het is zelfs raadzaam om dat te doen. Geef bijvoorbeeld aan aan welke geluidsnormen de organisatoren zich dan wel moeten houden. Het college van burgemeester en schepenen kan ook een uitspraak doen over de duur van de muziekactiviteit.

Wat veranderde er sinds januari 2006 met betrekking tot de gelegenheidsslijterijen (fuiven en andere occasionele evenementen waarop bier en/of wijn worden geschonken) die worden georganiseerd op het grondgebied van Vlaanderen en Brussel?
Voor 7 januari 2006 moest elke organisator van een gelegenheidsevenement vooreerst naar het gemeentebestuur gaan teneinde zijn achtergrond/moraliteit te laten controleren. Concreet ging de gemeente na in hoeverre de organisator van het evenement zich niet bevond in één der gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 1 van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953. Van zodra de organisator voldeed aan de gestelde voorwaarden inzake moraliteit, reikte de gemeente een attest 240i uit. Met dit formulier begaf de organisator zich vervolgens naar de bevoegde ontvanger der accijnzen om een aangifteformulier 240B in te dienen. Vanaf 7 januari 2006 moet inderdaad geen aangifte meer worden gedaan bij de ontvanger der accijnzen voor zover de gelegenheidsslijterij plaatsvindt op het grondgebied van een Gewest die de openingsbelasting tot nul heeft herleid (Vlaanderen en Brussel). Tegelijkertijd werd beslist dat de moraliteit of de achtergrond van de organisator van een gelegenheidsevenement niet langer meer moet worden gecontroleerd door de gemeente. De organisator van een gelegenheidsevenement moet zich dus vanaf 7 januari 2006 niet langer begeven naar de gemeente om zijn moraliteit te laten nagaan. Het formulier 240i heeft dus geen reden van bestaan meer voor de evenementen georganiseerd op het grondgebied van Vlaanderen of Brussel. Voor de gelegenheidsevenementen (georganiseerd door culturele verenigingen, ouderverenigingen, jeugdverenigingen, die vanaf 7 januari 2006 worden gehouden in Vlaanderen en Brussel moet de gemeente dus geen tapvergunning of positief bericht afleveren. (wet van 14 december 2005 houdende administratieve vereenvoudiging II die op 28 december 2005 gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad en die vanaf 7 januari 2006 in werking trad)

Kan je als gemeente fuiforganisatoren verplichten een erkende bewakingsfirma in te zetten?
De fuiforganisator kan inderdaad niet verplicht worden via een politiereglement of door een besluit van de burgemeester om een erkende bewakingsfirma in te schakelen. Toch is het raadzaam bij een fuif of evenement waar je heel veel bezoekers verwacht voldoende aandacht te besteden aan de veiligheid en overleg te plegen met het lokale bestuur en de politie. Het komt voor dat gemeenten in hun gebruikersreglement voor hun eigen gemeentelijke infrastructuur dergelijke clausules opnemen. Het wordt dan een voorwaarde om de infrastructuur te mogen huren. Hier is het belangrijk er als gemeente op toe te zien dat die voorwaarden voor iedereen dezelfde zijn, je mag geen bevolkingsgroepen discrimineren.

Kan de gemeente de fuiforganisator verplichten buiten de fuifzaal toezicht te houden?
In de buurt van de fuifzaal is het niet de fuiforganisator die verantwoordelijk is voor de veiligheid. Hij/zij kan natuurlijk de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, maar wat er buiten de fuifzaal of het fuifterrein gebeurt, valt onder de regels van openbare orde, rust en veiligheid en het is de politie die hier op toeziet. Zij zijn verantwoordelijk voor de naleving ervan en niet de organisator. Fuifstewards mogen bijvoorbeeld niet ingezet worden om de omgeving van de fuifzaal te bewaken, dit is een opdracht die voorbehouden is voor de politie.

Gelden de bepalingen van gemeentelijke politiereglementen voor zalen die over een milieuvergunning beschikken?
Artikel 119 van de Gemeentewet bepaalt dat een gemeente enkel reglementen en verordeningen kan goedkeuren die niet in strijd zijn met de wetten, decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissie, de provincieraad en de Bestendige Deputatie van de provincieraad. Beschikt een zaal over een milieuvergunning, dan gelden voor die fuifzaal de voorwaarden uit de milieuvergunning, en niet wat hierover in gemeentelijke reglementen is bepaald

Wat zijn gemeentelijke administratieve sancties?
De bedoeling van de wetgever indertijd was om de zogenaamde kleine criminaliteit die het parket meestal zonder gevolg klasseerde, toch niet onbestraft te laten. Het grote voordeel van een gemeentelijke administratieve sanctie is immers dat de gemeente die sanctie zelf kan opleggen en ze niet dus niet afhankelijk is van het parket en de politierechter. Gemeenten maken politieverordeningen waarin ze allerlei gedragingen opnemen die op hun grondgebied niet door de beugel kunnen. Als stok achter de deur voorziet de verordening ook een straf voor de overtredingen. De gemeente kan kiezen uit twee verschillende straffen: de politiestraf of de gemeentelijke administratieve sanctie, kortweg GAS. Maar wanneer een wet of een decreet diezelfde overtreding al sanctioneert, dan kan de gemeente daarvoor geen sanctie opleggen. De gemeenten dienen in hun politiereglement te bepalen welke gedragingen zullen gesanctioneerd worden («kleine criminaliteit», ordeverstoring, openbare overlast). Geen enkele overtreding kan met een administratieve sanctie beteugeld worden indien zij niet opgenomen is in het politiereglement. De gedragingen die beschouwd worden als ordeverstoring zijn reeds opgenomen in de gemeentelijke reglementen, de gemeenten kunnen deze aanvullen door de gedragingen te omschrijven die als openbare overlast worden beschouwd.

Kan je als gemeente opleggen dat fuiforganisatoren min 16-jarigen moeten weigeren?
Een min 16-jarige is normaal (zonder begeleiding van een volwassene) niet toegelaten in een gelegenheid waar wordt gedanst. De wet van 15 juli 1960 op de zedelijke bescherming van de jeugd (BS 20-07-1960) bepaalt inderdaad in Art. 1 dat een jongere beneden de 16 jaar (sinds 9 juli 1973, daarvoor was dat 18 jaar) een danszaal niet mag betreden. Dit verbod is echter niet absoluut. Art. 1,3° bepaalt dat iedere jongere, ongeacht zijn leeftijd, toegang heeft tot bals die zonder winstgevend doel zijn ingericht (bal van de burgemeester, schoolbal, bals en fuiven van verenigingen). Het mag dus wel, als de danspartij niet uit handelsgeest wordt opgezet. Het is altijd de rechtbank die beoordeelt of een fuif een handelskarakter heeft of niet. Als er geen handelsgeest is, kunnen min 16-jarigen normaal ook niet worden geweigerd, je mag immers niemand discrimineren. In een gemeentelijke zaal is er meestal geen handelskarakter en dus geen wettelijke basis om iemand te weigeren. Bovendien mag de overheid ook geen bevolkingsgroepen discrimineren (grondwettelijk gelijkheidsbeginsel).

Over welke wettelijke instrumenten beschik je nu als gemeente al om het fuifgebeuren lokaal in goede banen te leiden?
Attest hygiëne (240b) KB 3 april 1953. Brandweernormen en –attest. Bevoegdheid die de gemeente heeft vanuit Vlarem (hoofdstuk 6.7) om uitzonderingen toe te staan op de geluidsnormen van het KB van 24/02/1977. De bevoegdheden die een gemeente heeft vanuit de Nieuwe Gemeentewet (Art. 134Ter en Art 134quater) om een gelegenheid waarrond er regelmatig overlast is tijdelijk te sluiten en dit voor een duur van maximum drie maanden. Vertrekken van de bestaande wetgeving heeft bovendien als groot voordeel dat ze ook toepasbaar is op privaatfeesten, terwijl een politiereglement enkel geldt voor openbare feesten.

Mag in elke zaal worden gefuifd?
In principe mag in elke zaal worden gefuifd, maar uiteraard zijn er beperkingen in aantal bezoekers, vereisten van veiligheid, beperkingen in toegelaten geluid,… Sinds de invoering van de VLAREM kunnen zalen ruwweg in twee grote categorieën worden ingedeeld, op basis van de fuiffrequentie (deze indeling geldt niet voor zalen kleiner dan 100 m². Zie ook Vlarem). Enerzijds zalen waar meer dan 12 dansactiviteiten per jaar worden georganiseerd en zalen waar minder dan 12 dansactiviteiten per jaar worden georganiseerd. In het eerste geval dient de zaaluitbater over een milieuvergunning te beschikken, in het andere geval niet. Dit heeft grote gevolgen voor de voorwaarden en uitrusting van de zaal. Het onderscheid heeft ook gevolgen voor het sluitingsuur. Er wordt gesproken over "dansactiviteiten". Dit betekent dus dat naast fuiven ook bals e.d. meetellen in het bepalen van het aantal activiteiten.

Hoeveel bezoekers mogen er in een zaal en wie bepaalt dat?
Via het preventieverslag van de brandweer of het zogenaamde brandweerattest (op basis van het gemeentelijk reglement) worden diverse aspecten geregeld om de kans op brand en de gevolgen daarvan te beperken of controleerbaar te maken. Eén van die aspecten is het aantal aanwezigen dat toegelaten mag worden in zalen en andere publieke ruimten. Voor elke zaal (los van milieu- of andere vergunningen) geldt dat de brandweer dit bepaalt en hiervan een attest aflevert. Naast het aantal aanwezigen zijn volgende aspecten van groot belang: de brandbestrijdingsmiddelen (brandblussers, detectoren), het gebruik van veilige (elektrische) installaties (AREI, algemeen reglement op de elektrische installaties), veiligheidsverlichting, vluchtwegen.

Kan de politie ingeschakeld worden bij de organisatie van fuiven?
De politie heeft heel wat verschillende taken, waaronder taken van bestuurlijke politie. Hierdoor kan de politie ingeschakeld worden bij de begeleiding van evenementen. Door de toepassing van artikel 233bis van de Nieuwe Gemeentewet en sinds een Koninklijk Besluit van 14 september 1997 kan de gemeenteraad ook een vergoeding innen voor deze opdrachten van bestuurlijke politie. Er zijn twee soorten opdrachten van bestuurlijke organisatie waarvoor deze vergoeding bestaat. Ten eerste zijn er taken die de politie uitvoert op vraag van een particulier persoon (dus ook een organisator van fuiven e.d.), die een bijzondere aanwending van personeel of materiaal vereisen. Voorwaarde is dat de gemeenteraad deze omstandigheden omschrijft. Ten tweede kan een persoon afspraken maken in een akkoord met de burgemeester. Als deze persoon die afspraken niet naleeft en de politie bepaalde taken in zijn/haar plaats moet doen, kan de gemeente hiervoor een vergoeding aanrekenen. Akkoorden kunnen bijvoorbeeld afgesloten worden met een organisator wanneer het om uitzonderlijke, grote evenementen gaat. Concreet geldt deze regeling als de politie wordt ingeschakeld bij megaparty’s of andere grote evenementen (bijvoorbeeld festivals). Indien extra inzet van personeel of materiaal vereist is en er een vraag van een privé-persoon is of een akkoord werd afgesloten, kan de gemeente een vergoeding vragen voor de inzet van de politie. De gemeente is wel vrij om al dan niet een vergoeding te vragen en kan steeds bepaalde evenementen, bijvoorbeeld culturele activiteiten, vrijstellen. Voor jeugdwerkinitiatieven zou bijvoorbeeld een dergelijke vrijstelling kunnen gelden. Het gemeentebestuur moet immers een afweging maken als ze een vergoeding vraagt. Er is immers een groot verschil tussen grootschalige evenementen met een winstgevend karakter, eventueel opgezet door professionele organisators die soms nauwelijks of helemaal geen band hebben met de gemeente, en (kleine) activiteiten van een plaatselijke vereniging. Ook hier geldt weer dat een overreglementering een negatief effect kan hebben op zo’n verenigingen die dan misschien niets meer (kunnen) organiseren. Tot slot kan geen vergoeding gevraagd worden als het algemeen belang doorslaggevend is, bijvoorbeeld om vlot verkeer te verzekeren. TIP : Samengevat kan de politie dus een heel belangrijke rol spelen bij het goede verloop van een fuif, optreden, bal, kortom van elk evenement. Hetzij voor het vrijwaren van de openbare orde buiten de zaal of fuif, hetzij bij interventies als er zich ernstige problemen in de zaal voordoen binnen het fuifterrein, hetzij ze ingeschakeld worden in de organisatie. Het lijkt dan ook aangeraden dat er -al dan niet in het kader van een draaiboek, fuifcharter e.d.-afspraken gemaakt worden met de plaatselijke politie. Zeker indien zich regelmatig problemen voordoen. Samenwerking tussen organisator(en) en politiediensten kan immers wederzijdse frustratie vermijden, zodat politiemensen niet het gevoel krijgen dat zij de grote boosdoeners zijn die jongeren hun plezier afpakken en dat anderzijds organisatoren niet voortdurend met de schrik moeten leven dat bij het minste foutje de fuif zal worden stilgelegd. Een goede samenwerking zal ook veel effectiever zijn in het vermijden van hinder, het verzekeren van de veiligheid, zowel binnen als buiten de zaal of het fuifterrein.

Wanneer moet je opnieuw een attest hygiëne aanvragen?
Bij heropening van een zaak in de volgende drie gevallen: nadat de zaal langer dan een jaar gesloten was; als de bestemming is gewijzigd; als er (binnen) veranderingswerken werden uitgevoerd.

Wanneer moet je geen attest hygiëne aanvragen?
Als het gaat om een overname van een bestaande zaak en: ze niet langer dan een jaar gesloten was; er geen wijziging van bestemming is; er geen grondige verbouwingen zijn gebeurd.

Waar kan je terecht voor het attest hygiëne?
Elke drankslijterij moet aan een aantal hygiënische eisen voldoen (KB van 1953-04-03, BS 1953-04-04). Zo moet de fuifzaal of tent makkelijk toegankelijk zijn van op de openbare weg, er moet voldoende verlichting en verluchting zijn, en er moeten voldoende (hygiënische) toiletten beschikbaar zijn, … Het attest hygiëne wordt ingevuld door de politie van de gemeente waar de fuif plaatsvindt. Het is de zaaluitbater die dit attest aanvraagt, tenzij het om een locatie gaat waar er niet regelmatig fuiven georganiseerd worden.

Wie is verantwoordelijk voor het naleven van de geluidsnormen, de huurder/organisator of de zaaluitbater?
Voor het niveau van de muziek afkomstig van de fuif zijn ook normen bepaald voor de omgeving, zowel in het VLAREM (dus geldend voor zalen die een milieuvergunning moeten hebben) als in het KB van ‘77 (alle andere zalen en openlucht en tenten). In een ingedeelde inrichting blijft de zaaluitbater in principe verantwoordelijk voor het naleven van de in de milieuvergunning vastgelegde geluidsnormen. Maar hij/zij kan proberen de schade te verhalen op de organisator als die de geluidsnormen niet respecteert. Bij een niet-ingedeelde inrichting kunnen verschillende mensen gestraft worden als de geluidsnormen niet gerespecteerd worden: De personen die inrichtingen of toestellen ‘onder zich heeft’. Als het gaat om een vereniging dan wordt hiermee bedoeld de verantwoordelijke die op dat moment aanwezig was en eventueel de verantwoordelijke persoon die niet aanwezig was, maar die niet voldoende voorzorgen heeft genomen. De persoon die de toestellen heeft bediend, bij voorbeeld de deejay of de geluidstechnicus achter de P.A. De persoon die zich verzet heeft tegen de controle. Alle andere vormen van geluidshinder vallen onder "nachtlawaai". Voor 1 april 2005 stelde artikel 561 van het strafwetboek nachtlawaai strafbaar. Dit artikel omschrijft nachtgerucht (ook wel: nachtlawaai) als volgt: lawaai dat ‘s nachts gemaakt wordt en waardoor de rust van de omwonenden wordt verstoord. Door de wetswijziging van 17 juni 2004 werd artikel 561 geschrapt uit de strafwet in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties. Sinds 1 april kan de gemeente nachtlawaai administratief sanctioneren op voorwaarde dat ze nachtlawaai strafbaar stelt in het politiereglement.Dit neemt niet weg dat het in ieders belang is in de mate van het mogelijke maatregelen te nemen om dit nachtgerucht te beperken. Dergelijke voorzorgsmaatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat afspraken gemaakt worden met de lokale politie voor het uitvoeren van preventieve patrouilles. Er kunnen bijvoorbeeld stewards ingezet worden bij grote manifestaties die op parkings alles in goede banen leiden. Let wel, deze stewards kunnen nooit de bevoegdheden van politie uitoefenen en het gemeentebestuur kan de organisator hiertoe ook niet verplichten. Organisatoren kunnen ook niet verantwoordelijk gesteld worden voor wat buiten de fuifruimte of zaal gebeurt. Wel voor wat binnen de fuifruimte gebeurt. Maar ook locatie en omgeving van de zaal kunnen bijdragen tot het beperken van de overlast.

Hoeveel fuiven mogen er in je fuifzaal plaatsvinden voor je een milieuvergunning nodig hebt? En is het altijd de zaaluitbater die voor de milieuvergunning moet zorgen?
De zaal valt in principe onder de Vlarem als er meer dan 12 dansfeesten (bals, fuiven, trouwfeesten, …) per jaar of meer dan 2 per maand plaatsvinden. Dan moet je dus een milieuvergunning Klasse 2 (rubriek Vlarem 32.1) aanvragen. Maar het kan ook zijn dat bepaalde fuiven sowieso steeds over een milieuvergunning dienen te beschikken. Indien het aantal fuiven in een zaal beperkt blijft tot maximaal 12 gelegenheden per jaar en maximaal 2 gelegenheden per maand (24 kalenderdagen per jaar wanneer een dansgelegenheid avonduren alsook morgenuren van de daarop volgende kalenderdag omvat) dan is er geen milieuvergunning noodzakelijk. Deze vrijstelling geldt in principe enkel voor fuiven naar aanleiding van ‘bijzondere gelegenheden’. Dit kunnen zijn het jaarlijks dansfeest van de vereniging (KSJ-bal, chiro-fuif, ….), de klasfuif, chrysostomos, de 18-jarigenfuif, een bijzondere bestaansviering, een dansfeest n.a.v. een bijzondere gebeurtenis: kermis, carnaval, oud-nieuw, valentijntjesdag, … . Dansfeesten georganiseerd door commerciële organisatoren, organisatoren van exclusieve fuiven (vaak met hogere inkom, bekende guest-deejays of speciaal doelpubliek), maar ook jongeren die de organisatie van fuiven zien als een lucratieve bezigheid, … Zij kunnen maar plaatsvinden in een zaal die over de nodige milieuvergunning beschikt of de organisator moet zelf over een milieuvergunning beschikken. Als de milieuvergunning er niet is, moet de burgemeester het feest doen stilleggen.

Mag je min- zestienjarigen toelaten in je fuifzaal?
Een min 16-jarige is normaal (zonder begeleiding van een volwassene) niet toegelaten in een gelegenheid waar wordt gedanst. De wet van 15 juli 1960 op de zedelijke bescherming van de jeugd (BS 20-07-1960) bepaalt inderdaad in Art. 1 dat een jongere beneden de 16 jaar (sinds 9 juli 1973, daarvoor was dat 18 jaar) een danszaal niet mag betreden. Dit verbod is echter niet absoluut. Art. 1,3° bepaalt dat iedere jongere, ongeacht zijn leeftijd, toegang heeft tot bals die zonder winstgevend doel zijn ingericht (bal van de burgemeester, schoolbal, bals en fuiven van verenigingen). Het mag dus wel, als de danspartij niet uit handelsgeest wordt opgezet. Het is altijd de rechtbank die beoordeelt of een fuif een handelskarakter heeft of niet. Over het algemeen wordt aangenomen dat een fuif in een zaal van een commerciële zaaluitbater een danspartij uit handelsgeest is. Als er geen handelsgeest is, kunnen min 16-jarigen normaal ook niet worden geweigerd.

Wat is een ingedeelde inrichting?
Een ingedeelde inrichting is een zaal met een milieuvergunning, een zaal die aan de VLAREM 2-normen voldoet. De VLAREM 1 indelingslijst vermeldt dat feestzalen en lokalen over een milieuvergunning moeten beschikken wanneer ze een dansgelegenheid omvatten en de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke lokalen 100 m2 of meer bedraagt. Als de fuif plaatsvindt in een zogenaamde ‘ingedeelde inrichting’ dan zijn de voorwaarden om te fuiven vastgelegd in de milieuvergunning. In een niet-ingedeelde inrichting gaan er dansactiviteiten door die niet onder de VLAREM – indelingsrubriek vallen en waarvoor dus geen milieuvergunning nodig is: in tenten georganiseerde dansactiviteiten met een maximale duur van drie opeenvolgende dagen, maximaal tweemaal per jaar, op hetzelfde perceel of dezelfde percelen; feestzalen of lokalen waarin enkel dansactiviteiten gekoppeld aan bijzondere gelegenheden worden georganiseerd. Met 'bijzondere gelegenheden' wordt bedoeld dat er een bijzondere reden moet zijn om deze dansactiviteit te organiseren. Bijvoorbeeld: kermissen, carnavals, schoolfeesten, jaarfeesten van een vereniging, huwelijksfeesten, jubileumvieringen,e.d. In een niet- ingedeelde inrichting mogen er maximum 12 danspartijen (bal, fuif, trouwfeest, …) per jaar plaatsvinden, met een maximum van 2 per maand. Vallen hieronder: openluchtfuiven, de meeste fuiven in tenten, fuiven in zalen waar er slechts occasioneel wordt gedanst (bals, bruiloften, fuiven).

Wat verandert er als je zaal over een milieuvergunning beschikt?
Een milieuvergunning is sterk aan te raden omdat ze meer rechtszekerheid biedt tijdens de uitbating. Het gemeentelijk sluitingsuur is niet van toepassing omdat de milieuvergunning de voorwaarden oplegt. Idem met de meeste bepalingen uit het politiereglement. Vanzelfsprekend zijn ook de geluidsnormen van het KB van 24 februari 1977 met erg hoge boetes niet van toepassing op een ingedeelde inrichting. Overtredingen van de geluidsnormen kunnen enkel worden vastgesteld door een erkend akoestisch bureau. Als de zaaluitbater beschikt over een milieuvergunning dan zijn er in principe geen beperkingen tenzij die opgenomen zijn in de milieuvergunning. Maar zelfs met milieuvergunning is waakzaamheid sterk aanbevolen. Als de zaal gelegen is in een woongebied dan hou je best rekening met de draagkracht van die buurt. Het is niet omdat je als uitbater vlot aan een milieuvergunning geraakte dat de omwonenden daar geen bezwaar tegen kunnen indienen. Binnen de Vlarem is immers niet alleen het muziekgeluid belangrijk, maar heeft men het over ‘het specifieke geluid’ van een inrichting. M.a.w. ook het geluid dat geproduceerd wordt op de parking van de zaal kan dan een belangrijke rol gaan spelen. De milieuvergunning bepaalt de voorwaarden m.b.t. de exploitatie. Als dus een zaaluitbater zijn zaal verhuurt dan moet die ervoor zorgen dat de huurder zich houdt aan de eventuele beperkingen opgelegd in de milieuvergunning of door de Vlarem. De zaaluitbater doet er dan goed aan om de gebruiker contractueel te verplichten zich te houden aan de milieuvergunningsvoorwaarden. Je voorziet dan ook best in het contract dat als er (economische) schade optreedt omdat de gebruiker zich niet gehouden heeft aan deze voorwaarden, de uitbater zich via de burgerlijke rechtbank kan verhalen op de huurder.

Ben je als zaaluitbater verantwoordelijk voor wat er rond je fuifzaal gebeurt?
Wat er buiten de zaal of buiten het fuifterrein gebeurt, valt onder de regels van openbare orde, rust en veiligheid en het is de politie die hier op toeziet. Zij zijn verantwoordelijk voor de naleving ervan en niet de organisator. Dit neemt niet weg dat de gemeenteraad reglementen kan uitvaardigen om te verhinderen dat de openbare orde, rust en veiligheid worden geschonden bij optredens, fuiven, evenementen, enz. Deze reglementen kunnen dan ook bepaalde verplichtingen met zich meebrengen voor de organisator of de zaaluitbater. Ze verschillen echter van gemeente tot gemeente en zijn daarom niet onder een algemene regel te vatten. Hier geldt wel de waarschuwing dat deze reglementen zodanig streng kunnen zijn dat het nauwgezet opvolgen ervan het organiseren van fuiven bijna onmogelijk maakt.

Wie mag wie weigeren op een fuif?
De wet stelt echter duidelijk dat men niet zomaar min–16-jarigen mag weigeren op een fuif waar geen handelskarakter is (bijvoorbeeld een fuif van en in het jeugdhuis). Enkel wanneer een jeugdhuis een sluitend lidkaartensysteem heeft en op haar lidmaatschap een leeftijdsgrens zet van 16 jaar heeft dit jeugdhuis het recht deze jongeren te weigeren. Maar stel nu dat je fuif wel degelijk plaatsvindt in een particuliere zaak, waardoor er dus wel sprake is van een handelskarakter. Burgers hebben wettelijk niet het recht om de identiteit van andere burgers te controleren. Als je bij een fuif in een zaal met handelskarakter twijfelt of iemand al dan niet 16 is, mag je aan deze persoon wel vragen of hij/zij zijn/haar leeftijd kan bewijzen. Kan of wil die persoon dat niet, dan heb je het recht deze de toegang te weigeren. Als je iemand wil weigeren die jonger is dan 16 jaar of dronken is en je stelt daarvoor speciaal iemand aan (personeel of vrijwilliger aan de ingang) dan valt dat (volgens de interpretatie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken) wel degelijk onder de bewakingswet. Je moet dat dan melden aan de burgemeester en de namen van de mensen die de controle doen doorgeven. Wat valt niet binnen de bewakingswet? De personen die verantwoordelijk zijn voor de ticketcontrole en –verkoop kunnen iemand de toegang weigeren als deze personen ook wettelijk geen toegang hebben. Bijvoorbeeld omdat ze geen ticket hebben, geen 16 jaar zijn of in dronken toestand verkeren. Als je aan de personen in kwestie geen ticket verkoopt kan je hen uiteraard de toegang weigeren. Besluit: je mag niet iemand speciaal aanstellen om dronkaards of min-16-jarigen buiten te houden, maar je kan er wel voor zorgen dat hen geen toegangsticket wordt verkocht.

Gelden voor niet-gedeelde en ingedeelde zalen dezelfde normen?
Voor ingedeelde zalen is het gemeentelijk sluitingsuur niet van toepassing omdat de milieuvergunning de voorwaarden oplegt. Is er in de milieuvergunning niks bepaald, dan geldt er een sluitingsuur tussen 3u en 7u s’ochtends uitgezonderd op zon- en feestdagen. (Art. 5.32.2.2.§2 Vlarem II) Idem met de meeste bepalingen uit het politiereglement. Vanzelfsprekend zijn ook de geluidsnormen van het KB van 24 februari 1977 met erg hoge boetes niet van toepassing op een ingedeelde inrichting. Overtredingen van de geluidsnormen kunnen enkel worden vastgesteld door een erkend akoestisch bureau. In een aantal gemeentes kunnen ook ambtenaren (met inbegrip van politie)die hiervoor zijn aangeduid door de burgemeester en die hiervoor een speciale opleiding hebben gevolgd VLAREM-metingen uitvoeren.

Aan welke brandveiligheidsnormen moet je voldoen met een fuifzaal?
Bij nieuwbouw moet je voldoen aan de basisnormen voor preventie van brand en ontploffing (KB van 19/12/1997 en wijzigingen o.a. 04/04/2003). De meeste zalen behoren tot de categorie ‘lage gebouwen’ (10m) en de normen neem je best een kijkje bij de links. (www.brandveilig.be) Indien het echter onmogelijk is te voldoen aan een of meerdere vereisten van deze reglementering, kan de burgemeester - op advies van de bevoegde brandweer - afwijkingen toestaan voor zover deze in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en beantwoorden aan het algemeen beveiligingsprincipe en een veiligheidsniveau bieden dat ten minste gelijk is aan het niveau beoogd met deze reglementering. Elke aanvraag tot het bekomen van een afwijking moet dan ook duidelijk gemotiveerd zijn. Gedetailleerde plannen, een verklarende nota en de voorgestelde bijkomende veiligheidsmaatregelen moeten bijgevoegd worden. Wanneer is de reglementering van toepassing en welke zijn de formaliteiten? Bij elke wijziging van exploitatie of exploitant, bij transformatie- of renovatiewerken, vernieuwing van de binneninrichting, bij wijziging van de netto-oppervlakte, bij bestemmingswijziging en bij elke wijziging die de brandveiligheid en de evacuatiemogelijkheden kan beïnvloeden, moet de uitbater vooraf een brandveiligheidverslag aanvragen bij de burgemeester. Het openhouden, openen of heropenen van een publiek toegankelijke inrichting is ook afhankelijk van een gunstig brandveiligheidsverslag, af te leveren door de burgemeester, na advies van de brandweer. Daarnaast is er het AREI. Dit staat voor ‘Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties’. Voor de elektriciteit wordt aangesloten moet je een attest kunnen voorleggen van een erkend controle-organisme dat de aansluitingen geplaatst zijn conform het AREI. Voor meer gegevens vraag je best het volledige AREI op bij de elektriciteitsmaatschappij. Via de website van de eigen gemeente kan je misschien de “Politieverordening inzake brandpreventie met betrekking tot publiek toegankelijke inrichtingen†raadplegen. Zo’n reglement kadert in de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de publieke veiligheid zoals bepaald is in de Nieuwe Gemeentewet (art. 119 en 135§2) en de Wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke aansprakelijkheid. Daarnaast vermeldt ook de Vlarem een aantal brandveiligheidsvoorschriften. Ook in de Vlarem zijn een aantal voorschriften i.v.m brandveiligheid opgenomen: - Reactie bij brand van wand- en plafondbekledingen - Elektrische installaties volgens AREI - Veiligheidsverlichting - Evacuatiewegen - Verwarming, leidingen met brandbare gassen en vloeistoffen, opslag van brandbare gassen en vloeistoffen - Blusmiddelen - Brandmelding via telefoon

Wat kan je best opnemen in een contract bij het verhuren van een fuifzaal?
Het is belangrijk dat het contract de nodige gegevens over de huurder en de verhuurder vermeldt. Verder is het zowel in het belang van de zaaluitbater als in dat van de organisator dat er duidelijkheid is over de voorwaarden die er gekoppeld worden aan de huur van een fuifzaal. Achteraf gaan discussiëren, moet je altijd proberen te vermijden. Je doet er als zaaluitbater goed aan je contract te laten nalezen door een advocaat. De kleine investering loont, ze kan je heel wat problemen besparen.

Wat neem je beter niet op in een contract bij het verhuren van een fuifzaal?
Voor een contract is de regel dat je er principieel alles in kan opnemen, zolang je de huurder niet tot zaken verplicht die verboden zijn. Het is vooral belangrijk dat de bepalingen in het contract billijk zijn, en dat de voorwaarden die je stelt om de infrastructuur te mogen huren voor iedereen dezelfde zijn, anders bezondig je je aan discriminatie. Wat laat je best uit een contract? De schade rond de fuifzaal wordt verhaald op de organisator; De organisator is verplicht (tot een bepaald uur) inkom te vragen; Een bepaalde verzekering verplichten; De inzet van een bewakingsdienst verplichten.

Moet je als zaaluitbater over een BTW- nummer beschikken?
Als iemand een zaal ter beschikking stelt aan derden en de huurder is vrij van brouwer dan valt deze handeling niet onder de BTW-wetgeving. Als er wel een verplichte drankafname is via de zaal dan is er hier wel degelijk sprake van handel en moet de uitbater of de vzw beschikken over een BTW-nummer. Uitzonderingen hierop zijn voorzien in het BTW-wetboek. Zo zijn erkende jeugdhuizen vrijgesteld van BTW-nummer.

Waar moet je als zaaluitbater in het bijzonder over waken?
In een zaal die over een milieuvergunning beschikt, is de zaaluitbater verantwoordelijk voor het respecteren van de geluidsnormen. Als zaaluitbater ben je verplicht een verzekering objectieve aansprakelijkheid voor brand en ontploffing af te sluiten. Door de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing (BS 20 september 1979) en betreffende de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen (KB 28 februari 1991, BS 13 april 1991) moet het merendeel van de voor publiek toegankelijke inrichtingen verplicht verzekerd zijn tegen lichamelijke en stoffelijke schade ten gevolge van brand en ontploffing. O.a. dancings, discotheken en alle openbare gelegenheden waar er wordt gedanst, vallen hieronder. De wet bepaalt dat alle gesloten plaatsen waar er voedingsmiddelen en/of dranken worden aangeboden over een degelijke rookafzuiginstallatie moeten beschikken. De eetwareninspectie kan optreden tegen de uitbater van de zaal en boetes opleggen. Dit alles wordt geregeld door het KB van 15 mei 1990 (artikel 2, §1,1° en artikel 3, §1 en §2) en het Ministerieel besluit van 9 januari 1991. De zaal moet gekeurd zijn door de brandweer. In het attest moet staan hoeveel personen er binnen mogen. Je mag dus niet zomaar een zaal ter beschikking stellen die niet brandveilig is.

Is de verzekering objectieve aansprakelijkheid brand en ontploffing een verantwoordelijkheid van de zaaluitbater of van de fuiforganisator?
Als zaaluitbater ben je verplicht een verzekering objectieve aansprakelijkheid voor brand en ontploffing af te sluiten. Door de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing (BS 20 september 1979) en betreffende de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen (KB 28 februari 1991, BS 13 april 1991) moet het merendeel van de voor publiek toegankelijke inrichtingen verplicht verzekerd zijn tegen lichamelijke en stoffelijke schade ten gevolge van brand en ontploffing. O.a. dancings, discotheken en alle openbare gelegenheden waar er wordt gedanst, vallen hieronder. De meeste zalen zullen dus beschikken over dergelijke verzekering.

Hoe zit het met bezoldigingen van mensen die helpen bij het uitbaten van de tap op een fuif?
Het gebeurt al eens dat de huurder van een zaal beroep doet op een medewerker van de uitbater bij het uitbaten van de tap. Als de persoon die er helpt geen statuut van ‘zelfstandige’ heeft dan kan er bij een vergoeding die je uitbetaalt sprake zijn van ‘zwartwerk’. Zowel de organisator als huurder als de verhuurder stellen zich dan erg kwetsbaar op. Voor elke vergoeding (ook vergoedingen in natura) die men aan iemand betaalt (waarvoor er geen bewijs van onkosten bestaat) moet er in principe belastingen worden betaald. Er bestaat echter een aparte regeling voor vrijwilligers. Als je deze regeling volgt dan zijn de vergoedingen niet belastbaar. De betrokkenen vallen dan niet onder het stelsel van de RSZ. In 2004 mag een vrijwilliger max. 26,83 euro per dag krijgen, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Hij/zij mag dan wel voor die dag geen andere vergoeding ontvangen (dus ook geen kilometervergoeding). Het totaal bedrag dat een vrijwilliger op jaarbasis mag ontvangen is geplafonneerd tot 1073.28 euro per jaar (dit wordt jaarlijks geïndexeerd).

Moet je als zaaluitbater SABAM en billijke vergoeding betalen voor je fuifzaal?
Zolang de zaaluitbater niets zelf organiseert in de zaal, is die wettelijk tot niets verplicht. Het jaartarief danscafe bij is niet van toepassing op fuiven en dansfeesten waar men inkom vraagt. De uitbater heeft dus weinig redenen om hiervoor te kiezen. Wel kan overwogen worden om het jaartarief horeca te betalen. De zaaluitbater kan best wel kiezen voor het jaarforfait billijke vergoeding. Dit wordt financieel interessant vanaf vier dansfeesten per jaar. In de praktijk zal de uitbater dit doorrekenen aan de gebruiker. De organisator is dan automatisch in orde wat de billijke vergoeding betreft. Je hebt als uitbater een extra troef in handen voor de verhuur van je zaal omdat je de organisator niet alleen financieel heel wat bespaart maar omdat je ook de administratieve rompslomp beperkt.

Wie is verantwoordelijk voor de toepassing van rookverbod in een fuifzaal (zie wetgeving op roken op gesloten openbare plaats). De uitbater, de organisator of moet er enkel aangeduid worden dat er niet gerookt mag worden?
De zaaluitbater moet de rookverbodstekens hangen (en in principe niet de huurder). Bij afwezigheid van rookverbodstekens hang je als organisator wel zelf posters op om de bezoekers op het rookverbod te wijzen. Ben je zelf uitbater van een polyvalente zaal of jeugdhuis, neem dan in de huurovereenkomst op dat er niet gerookt mag worden. Als organisator moet je erop toezien dat het rookverbod wordt toegepast. Zo voldoe je aan de huidige rookreglementering: - De rookverbodtekens moeten zichtbaar blijven. - In een gesloten tent voorzie je zelf voldoende verbodstekens op zichtbare plaatsen. - Plaats binnen nergens asbakken. - Er wordt in geen geval binnen gerookt, zeker niet door medewerkers, die een voorbeeldfunctie hebben. - Medewerkers hebben de verantwoordelijkheid de bezoekers actief op het rookverbod te wijzen.

Hoeveel bezoekers mogen er in een zaal en wie bepaalt dat?
Via het preventieverslag van de brandweer of het zogenaamde brandweerattest (op basis van het gemeentelijk reglement) worden diverse aspecten geregeld om de kans op brand en de gevolgen daarvan te beperken of controleerbaar te maken. Eén van die aspecten is het aantal aanwezigen dat toegelaten mag worden in zalen en andere publieke ruimten. Voor elke zaal (los van milieu- of andere vergunningen) geldt dat de brandweer dit bepaalt en hiervan een attest aflevert. Naast het aantal aanwezigen zijn volgende aspecten van groot belang: de brandbestrijdingsmiddelen (brandblussers, detectoren), het gebruik van veilige (elektrische) installaties (AREI, algemeen reglement op de elektrische installaties), veiligheidsverlichting, vluchtwegen.

Wat zijn de regels voor het lawaai buiten de zaal of buiten de fuifruimte in openlucht of tent? Wie is verantwoordelijk?
Om deze vraag te beantwoorden moet een onderscheid gemaakt worden tussen het lawaai afkomstig van de muziek van de fuif en lawaai afkomstig van bijvoorbeeld roepende fuifganders, toeslaande portieren, vertrekkende auto's en brommers, muziekinstallaties in auto. Voor het niveau van de muziek afkomstig van de fuif zijn ook normen bepaald voor de omgeving, zowel in het VLAREM (dus geldend voor zalen die een milieuvergunning moeten hebben) als in het KB van ‘77 (alle andere zalen en openlucht en tenten). In een ingedeelde inrichting blijft de zaaluitbater in principe verantwoordelijk voor het naleven van de in de milieuvergunning vastgelegde geluidsnormen. Maar hij/zij kan proberen de schade te verhalen op de organisator als die de geluidsnormen niet respecteert. Bij een niet-ingedeelde inrichting kunnen verschillende mensen gestraft worden als de geluidsnormen niet gerespecteerd worden. De personen die inrichtingen of toestellen ‘onder zich heeft’. Als het gaat om een vereniging dan wordt hiermee bedoeld de verantwoordelijke die op dat moment aanwezig was en eventueel de verantwoordelijke persoon die niet aanwezig was, maar die niet voldoende voorzorgen heeft genomen. De persoon die de toestellen heeft bediend, bij voorbeeld de deejay of de geluidstechnicus achter de P.A. De persoon die zich verzet heeft tegen de controle. Alle andere vormen van geluidshinder vallen onder "nachtlawaai". Artikel 561 van het strafwetboek omschrijft nachtgerucht (ook wel: nachtlawaai) als volgt: lawaai dat ‘s nachts gemaakt wordt en waardoor de rust van de omwonenden wordt verstoord. Zij die het lawaai veroorzaken zijn verantwoordelijk. Dit kan ook niet de organisator van de dansactiviteit/fuif of de uitbater zijn als het lawaai inherent is aan de activiteit die georganiseerd wordt, bijv. trillende muren. Het is de politie die kan/moet optreden tegen degenen die nachtgerucht veroorzaken.

Gelden voor privéfuiven dezelfde regels als voor openbare fuiven?
Privéfeestjes en dus ook privéfuifjes vallen in principe niet onder dezelfde regels als fuiven, maar uiteraard wel onder de algemene regels van openbare orde, nachtlawaai, burenhinder, enz. waartegen de politie altijd kan optreden.Een privé-fuif moet dus niet gemeld worden en hoeft geen vergunningen, maar kan ook steeds stilgelegd worden door de politie omwille van de hierboven opgesomde redenen. Opgelet! Ook als je een privé-fuif geeft moet je sabam en billijke vergoeding betalen.TIP : Ook al bestaat geen wettelijke meldingsplicht (en kan ze door de gemeente niet ingesteld worden) voor privé-feestjes, het is uiteraard aangewezen om de buren (en eventueel zelfs de politie) op de hoogte te brengen van je initiatief. Zo laat je zien dat je rekening wil houden met de nachtrust van de omwonenden en dat je klachten zoveel mogelijk wil voorkomen. Iemand die op voorhand verwittigd is, zal niet zo vlug een klacht indienen en zal eerder zoeken naar een aanvaardbaar compromis als bijvoorbeeld de muziek te luid staat.

Art. 9 van de Wet van 28 december 1983 is niét opgeheven. Betekent dit dat schenken van sterke drank op openbare sportieve, politieke en culturele manifestaties wél nog overal onderworpen blijft aan een volgens dat artikel 9 vereiste speciale machtiging
De Wet van 14 december 2005 heeft als doel de administratieve formaliteiten af te schaffen voor de organisatie van een fuif of occasioneel evenement (vb kraampje op jaarmarkt) waar sterke drank worden verstrekt. Noch in de adviezen van de verenigingen van steden en gemeenten, noch tijdens de parlementaire besprekingen is art. 9 van de wet van 28 december 1983 (uitsluitend van toepassing op sterke dranken) ooit ter sprake gekomen. Men ging er steeds van uit dat het voldoende was de occasionele drankgelegenheden uit het toepassingsgebied van de artikelen 2 en 3, W. 28 december 1983 te halen, zodat geen vergunning meer nodig was omdat er in dat geval geen moraliteitscontrole meer moest plaatsvinden. Art. 9, W. 28 december 1983 voorziet uitdrukkelijk in een speciale machtiging van het college van burgemeester en schepenen in tegenstelling tot het begrip vergunning, als bedoeld in art. 2, W. 28 december 1983, dat tot 6 januari 2006 moest worden afgegeven door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde. Overeenkomstig het bij de W. 14 december 2005 opgeheven art. 7bis, W. 28 december 1983, was de rol van de gemeente dan ook slechts beperkt tot het nagaan van de moraliteitsvoorwaarden nodig voor het afleveren van het moraliteitsattest. Het wegvallen van het louter afleveren van een moraliteitsattest aan de organisator van een occasionele drankgelegenheid heeft in principe geen enkele invloed op de toepassing van artikel 9, W. 28 december 1983 dat onverminderd van toepassing blijft. M.a.w. indien voor 7 januari 2006 een speciale machtiging van het college van burgemeester en schepenen nodig was voor het verstrekken van sterke drank op openbare sportieve, politieke en culturele manifestaties zal dit ook van toepassing blijven na 7 januari 2006.

Hoe kan juridisch worden gestaafd dat de gemeente bij het afleveren van een vergunning sterke drank niet langer (januari 2006) meer de moraliteitsvoorwaarden moet controleren als het een occasionele drankgelegenheid betreft?
Sedert 7 januari 2006 is de organisator van een occasionele drankgelegenheid, overeenkomstig artikel 3 W. 28 december 1983, niet langer verplicht een voorafgaande aanvraag te doen bij de gemeentelijke overheid voor het houden van een occasionele drankgelegenheid. In de nieuwe tekst van artikel 3, 1 en 2.van diezelfde wet wordt namelijk uitdrukkelijk bepaald dat de gemeentelijke overheid m.b.t. de vaste en reizende drankgelegenheden, nagaat of de houder, de eventuele lasthebber en in voorkomend geval de bij deze personen inwonende of in de inrichting wonende personen zich niet bevinden in één van de gevallen van uitsluiting bepaald bij art. 11,1 van diezelfde wet. Er wordt dus niets gezegd m.b.t. occasionele drankgelegenheden. In art. 3,3 van diezelfde wet wordt bovendien uitdrukkelijk bepaald dat het verkopen, aanbieden of verstrekken van sterke drank, slechts mag na het afleveren van de vergunning door de gemeentelijke overheid, op basis van de controles uitgevoerd overeenkomstig voormeld art. 3, 1 en 2. Uit het lezen van de 1 en 3 van art. 3 van diezelfde wet mag men besluiten dat de gemeentelijke overheid vanaf 7 januari 2006 niet meer verplicht is de moraliteitsvoorwaarden na te gaan met betrekking tot de organisator van een occasionele drankgelegenheid en dat voor het verkopen, aanbieden of verstrekken van sterke drank tijdens een occasionele drankgelegenheid in principe geen vergunning meer nodig is. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat de federale wetgever op geen enkel moment de mogelijkheid aan de gemeentelijke overheden heeft ontnomen zelf autonoom te bepalen in hoeverre de voorwaarden inzake moraliteit eventueel toch nog moeten worden nagegaan. Tenslotte, rekening houdende met hetgeen voorafgaat m.b.t. art. 3, met name dat geen vergunning moet worden gegeven in geval van occasionele drankgelegenheid, is duidelijk dat onder het begrip houder van een drankgelegenheid als bedoeld in art. 4 dan ook niet kan worden verstaan, de occasionele drankgelegenheid.

Wat is er sinds januari 2006 veranderd met betrekking tot de occasionele drankgelegenheden (fuiven en andere gelegenheidsevenementen) waarop sterke drank wordt geschonken?
Voor 7 januari 2006 moest elke organisator van een gelegenheidsevenement vooreerst naar het gemeentebestuur gaan teneinde zijn achtergrond/moraliteit te laten controleren. Concreet ging de gemeente na in hoeverre de organisator van het evenement zich niet bevond in acute der gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 11 van de wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterke drank. Van zodra de organisator voldeed aan de gestelde voorwaarden inzake moraliteit, reikte de gemeente een attest 240i uit. Met dit formulier begaf de organisator zich vervolgens naar de bevoegde ontvanger der accijnzen om een aangifteformulier 240B in te dienen. Vanaf 7 januari 2006 moet geen aangifte inzake vergunningsrecht meer worden gedaan bij de ontvanger der accijnzen. Tegelijkertijd werd beslist dat de moraliteit of de achtergrond van de organisator van een gelegenheidsevenement waarop sterke drank wordt geschonken niet langer meer moet worden gecontroleerd door de gemeente. De organisator van een gelegenheidsevenement moet zich dus vanaf 7 januari 2006 niet langer begeven naar de gemeente om zijn moraliteit te laten nagaan. Het formulier 240i heeft dus geen reden van bestaan meer. Voor de gelegenheidsevenementen (georganiseerd door culturele verenigingen,ouderverenigingen, jeugdverenigingen) die vanaf 7 januari 2006 worden gehouden in Vlaanderen en Brussel moet de gemeente dus geen vergunning afleveren.

Wie is bevoegd binnen de gemeente voor het afleveren van de vergunning voor het verstrekken van sterke dranken?
Volgens het advies van de Raad van State werd het begrip gemeentebestuur zoals vermeld in het oorspronkelijke ontwerp van tekst die werd voorgelegd aan de Raad van State, vervangen door het begrip gemeentelijke overheid in overeenstemming met art. 6, 1, VIII, laatste lid, van de bijzondere wet van 8-8-1980 tot hervorming der instellingen. Dit betekent dat overeenkomstig art. 133 van de nieuwe gemeentewet waarin is bepaald dat de burgemeester belast is met de uitvoering van de wetten, de burgemeester bevoegd is voor het afleveren van de vergunning voor het verstrekken van sterke drank.

Foutje ontdekt? Laat het ons weten
Steunpunt Jeugd vzw I Arenbergstraat 1D I 1000 Brussel I T 02 551 13 50 I F 02 551 13 85 I info@steunpuntjeugd.be.be I www.steunpuntjeugd.be
Sitemap I Ontwerp door Emma Thyssen I Ontwikkeling door Sputnik Web