De aanleiding van de opleving van deze discussie was het optreden van de burgemeester van Koksijde tegen de aanwezigheid van 14-jarigen op een jeugdfuif. In feite was dit optreden dan weer het gevolg van het standpunt dat het parket van Veurne al jaren inneemt dat fuiven altijd commercieel zijn en dus niet toegankelijk voor min-16-jarigen. Ook sommige jeugdrechters zijn radicaal gekant tegen de aanwezigheid van min-16-jarigen op fuiven. Volgens hen komt de lichamelijke en geestelijke gezondheid van deze tieners hierdoor in het gedrang. Jeugdrechters zijn nu eenmaal mensen waarvoor jongeren verschijnen die in de marge van de samenleving terecht zijn gekomen. Je zou dus hier nog verzachtende omstandigheden kunnen bepleiten.
Sommigen vragen zich af of deze discussie nog wel van deze tijd is. In feite wordt hier 45 jaar geschiedenis van het jeugdhuiswerk onder de mat geveegd en zijn deze ‘interpretaties’ een kaakslag voor alle beleidsmensen van de voorbije 45 jaar. Blijkbaar werd er jarenlang collectief geblunderd.
Laat ons eens terugkeren naar de naoorlogse jaren vijftig. In de Verenigde Staten verschenen de Bikers met hun speciale kledingstijl en vetkuiven in het straatbeeld. Het was één van de eerste veruiterlijkingen van een nieuwe generatie jongeren.
Aan de Amerikaanse Westkust ontdekten de Beatniks sex en drugs en voerden urenlange discussies in rokerige kroegen. In Londen bepaalden de Angry Young Men het straatbeeld en in Parijs waren het alternatieve en linkse jongeren die het existentialisme hoog in het vaandel droegen.
Deze subculturen legden een belangrijke basis voor wat later tot de rock’n’roll zou uitgroeien. Vanuit Amerika verspreidde deze muziek zich razendsnel over de hele wereld met in haar zog een bloeiende jongerencommercie. Voor het eerst in de geschiedenis verwerven de jongeren koopkracht en kunnen zij consumeren.
Het is in deze tijdsgeest dat er in België op 15 juli 1960 (Wet op de zedelijke bescherming van de jeugd : BS 20-07-1960) een wet kwam (de dancingwet) waardoor jongeren onder de leeftijd van 18 jaar een dancing niet mochten betreden. Aanvankelijk was dat 18 jaar (vanaf 9 juli 1973 werd dat 16 jaar). Dit verbod was echter niet absoluut. Art. 1,3° bepaalt dat iedere jongere, ongeacht zijn leeftijd, toegang heeft tot bals die zonder winstgevend doel zijn ingericht (bal van de burgemeester, schoolbal, bals en fuiven van verenigingen). Het mocht dus wel, als de danspartij niet uit handelsgeest werd opgezet.
Begin jaren zestig aanschouwde men vooral vanuit parochies de ontkerkelijking met lede ogen en wilde men maar al te graag bepaalde delen van de nieuwe jongerencultuur in de kiem smoren door zelf mee initiatief te nemen. Het is dan ook tekenend voor de tijdsgeest dat men in officiële teksten toen sprak over ‘straatjeugd’. Jeugdhuizen waren de eerste werkvorm waar jongens en meisjes mekaar ongedwongen konden ontmoeten. Door de organisatie van massale wekelijkse dansinstuiven bereikten, veelal parochiale, jeugdhuizen honderden min-18-jarigen, sommigen hadden zelfs meer dan 1000 leden. De wet van 1960 maakte het immers mogelijk dat er niet-commerciële dansfeesten konden plaatsvinden waarop min-18-jarigen zonder probleem konden aanwezig zijn.
Toen in 1973, omwille van een grondige evolutie in de samenleving o.a. omwille van mei ’68, de leeftijd van 18 jaar op 16 jaar werd gebracht, betekende dit meteen ook het einde aan de sterke bloei van de jeugdhuissector in Vlaanderen. De meeste 16- en 17-jarigen konden immers plots van de ene dag op de andere zonder problemen terecht in een dancing. Vele jeugdhuizen verloren het belangrijkste deel van hun publiek, sommige moesten zelfs de deuren sluiten.
Als we de voorbije decennia bekijken welke jeugdhuizen een belangrijk deel min-16-jarigen bereiken dan zijn het weer net die jeugdhuizen die veel fuiven organiseren of die nog steeds een wekelijkse dansinstuif hebben. Bij de andere jeugdhuizen ontbreekt deze leeftijdsgroep of kan je ze op de vingers van één hand tellen. Nochtans blijkt uit vele gemeentelijke jeugdwerkbeleidsplannen dat net deze groep het moeilijkst bereikt wordt door het reguliere jeugdwerk, sportclubs, …. en zijn extra inspanningen om hen te bereiken zeker aanbevolen. Voor jeugdhuizen is het bovendien belangrijk om tijdig te verjongen en een volgende generatie op een leuke manier te laten kennismaklen met de werking.
Hebben gedurende al die jaren de beleidsmensen zich dan allemaal vergist? Jeugdhuizen werden immers sinds begin jaren zestig vervolgens erkend door de federale, later door de Vlaamse en nog later door de gemeentelijke overheid. Heeft de overheid jarenlang onwettigheid gesubsidieerd? Zijn jeugdhuizen slechts kunnen ontstaan omdat men te laks was om de wet toe te passen?
Het feit dat sommige Vlaamse jeugdhuizen nu een leeftijdsgrens stellen van 16 jaar om lid te kunnen worden, heeft dan ook zelden te maken met een bewuste keuze vanuit het jeugdhuis zelf. Hetzelfde geldt voor jeugdbewegingen die weigeren min-16-jarigen toe te laten op hun fuif in de gemeentelijke of parochiale zaal. Het is eerder een betwistbare keuze die werd opgedrongen door lokale beleidsvoerders die de wet fout hebben geïnterpreteerd.