Iemand die een zaal uitbaat, doet dat bij voorkeur vanuit een duidelijk statuut. Dit kan dus een horeca-uitbater zijn die bijvoorbeeld een deel van zijn zaak verhuurt.
In het geval van een parochiale zaal, een buurtzaal, een jeugdhuis, … gebeurt dat best vanuit een vzw. Een feitelijke vereniging heeft immers geen rechtspersoonlijkheid. In dat geval kan de verhuurder persoonlijk worden aangesproken in geval van contractuele aansprakelijkheid.
De zaaluitbater kan ook de eigenaar zijn, maar dit is niet noodzakelijk het geval. Een fuifzaal kan ook in concessie/franchise gegeven worden.
Nieuwe zaaluitbaters kunnen op de site van de beroepsfederatie voor de horeca (zie links) een startersbrochure voor de horeca downloaden. Ook bij Unizo (zie links) vind je de nodige bagage om als nieuwe ondernemer een zaak op te starten.
Of een fuifzaal in handen is van een gemeente of een private uitbater maakt op zich weinig verschil.
Een particuliere zaaluitbater kan makkelijker (dan bij een gemeentelijke zaal) beslissen dat de zaal voor een bepaald soort activiteiten niet kan gebruikt worden. Toch mag een particuliere zaaluitbater bepaalde bevolkingsgroepen niet stelselmatig discrimineren. Een klacht van een benadeelde kan ervoor zorgen dat de uitbater wordt veroordeeld wegens discriminatie.
Bij een gemeentelijke zaal mag je je niet moeien met de aard van de activiteit en zal je (meer) rekening moeten houden met het gelijkheidsprincipe. Zo moeten bijvoorbeeld alle verenigingen evenveel kansen krijgen vanuit het cultuurpact.
Als de gemeente uitbater is, dan beschikt ze over een pak meer bevoegdheden. Via een gebruiksovereenkomst kan je veel dingen regelen en verplicht stellen die je als gemeente met een algemeen politiereglement niet kan regelen of verplichten.
Een gemeente die voor haar fuifbeleid resoluut kiest voor een positieve koers, kan via het beheer van de gemeentelijke fuifzaal een voorbeeld stellen.