Een volledige inventarisatie van alle feest- en fuifinfrastructuur in de gemeente is een eerste stap voor het voeren van een degelijk infrastructuurbeleid. Je krijgt zicht op het bestaande aanbod van (gemeentelijke én private) feest- en of fuifzalen op het grondgebied van de gemeente en hun sterke en zwakke plekken. Een inventarisering kan ook een gebrek aan geschikte fuifruimte aan het licht brengen.
Bovendien kan je de fuiforganisatoren een handig vergelijkingsinstrument aanbieden om op zoek te gaan naar een fuiflocatie op maat van hun evenement.
Verder kan zo’n inventarisatie ook de (particuliere) zaaluitbaters mee(r) responsabiliseren. Het is belangrijk zaaluitbaters zoveel mogelijk te betrekken in het infrastructuurbeleid dat een gemeente wil voeren. Als ze zelf een deel van de begeleiding van de organisator op zich nemen, kunnen heel wat moeilijkheden vermeden worden.
Een goed voorbeeld van hoe je een inventaris kan opmaken is te vinden bij de documenten.
In principe kan iedereen die de gevraagde huurprijs wil betalen, gebruik maken van de infrastructuur. Sommige gemeenten hanteren aparte tarieven voor erkende verenigingen enerzijds en niet-erkende verenigingen en particulieren anderzijds.
De activiteiten kan je opsplitsen in dansactiviteiten (bals, fuiven, bruiloften, …), andere feesten (eetfeesten, kienavonden, …) of podiumactiviteiten (concerten, theater, …)
De verhuurder van een zaal heeft het recht om te weten welk soort activiteit er doorgaat als het huurcontract wordt getekend. Als de zaal niet over de nodige milieuvergunning beschikt om dansactiviteiten te laten plaatsvinden, kan de rechter na een klacht de zaal sluiten.
Wanneer is er sprake van een ‘dansactiviteit’? De aanwezigheid van een discobar, geluidsversterking, een ruimte voorzien om te dansen, speciale lichtinstallatie, … kunnen aanwijzingen zijn dat er een dansactiviteit wordt georganiseerd. De dansfeesten kan men in grote lijnen in drie soorten op delen:
1. Dansfeesten van erkende verenigingen naar aanleiding van een bijzondere gelegenheid
Bijvoorbeeld het jaarlijkse dansfeest van de vereniging (KSJ-bal, chiro-fuif, ….), een klasfuif, chrysostomos, de 18-jarigenfuif, een bijzondere bestaansviering, of een dansfeest n.a.v. een bijzondere gebeurtenis: kermis, carnaval, of oud -op- nieuw.
Deze feesten zullen meestal toegankelijk zijn voor het ruime publiek maar kunnen ook enkel gericht zijn op leden of genodigden.
2. Dansfeesten georganiseerd door commerciële organisatoren
organisatoren van exclusieve fuiven (vaak met hogere inkom, bekende guest-deejays of speciaal doelpubliek), maar ook door jongeren die de organisatie van fuiven zien als een lucratieve bezigheid, …
De meeste van deze dansfeesten zijn toegankelijk voor het ruime publiek.
3. De dansfeesten georganiseerd door particulieren naar aanleiding van bijzondere gebeurtenissen
((gouden) bruiloft, pensionering, …), en de jaarlijkse feesten van bedrijven, instellingen en overheden. Meestal zijn dit privaatfeesten waarbij enkel genodigden binnen mogen.
In principe vallen enkel de dansfeesten van het tweede soort onder de VLAREM wetgeving. Ze kunnen enkel plaatsvinden in een zaal die over de nodige milieuvergunning beschikt of zij moeten zelf over een milieuvergunning beschikken. Als de milieuvergunning er niet is, kan de burgemeester het feest doen stilleggen.
Voor de andere dansfeesten is deze milieuvergunning meestal niet noodzakelijk, voor zover het aantal fuiven in die locatie wordt beperkt tot twaalf per jaar en twee per maand. De verantwoordelijkheid komt hier niet te liggen bij de organisator maar wel bij de zaaluitbater.
De dansfeesten uit de eerste en de derde groep vallen onder de bepalingen ‘bijzondere gelegenheden’ waarvoor er een uitzondering voorzien is binnen de VLAREM. In de praktijk is het onderscheid niet altijd duidelijk te maken. En gezien er voor dansfeesten geen meldingsplicht bestaat, kan de lokale overheid ook niet echt controleren. Het zal dus vooral de zaaluitbater zijn die hier de nodige maatregelen moet nemen. (zie ook infrastructuurbeleid > geschikte fuiflocatie > vergunde en niet –vergunde fuiflocaties)
Top
Gemeentelijke infrastructuur
De gemeente kan de bestaande gemeentelijke infrastructuur ter beschikking stellen voor fuiven en waar nodig investeringen doen zodat deze beantwoordt aan de normen die aan feestzalen worden gesteld. Voor bestaande zalen die niet aan de vereisten voldoen om er een fuif te laten doorgaan met een minimum aan overlast voor de buurt dreigt vaak de sluiting. Als omwille van een klacht van enkele omwonenden de rechter besluit een zaal te sluiten dan kunnen ook de verenigingen er hun jaarlijks feest niet meer laten doorgaan. Voor de meesten betekent dat een serieuze financiële aderlating en hun werking kan erdoor in het gedrang komen. Het sluiten van (particuliere) zalen of hen niet langer toegankelijk maken voor feesten en fuiven heeft vaak ook een vermenigvuldigingseffect. Je krijgt zo immers een grotere concentratie van feesten en fuiven in de resterende (vaak gemeentelijke) zalen. Hierdoor ontstaat er meer overlast in die buurt(en) wat weer kan leiden tot nieuwe sluitingen. Door het opdrijven van de frequentie van de dansfeesten in de resterende zalen, gaan deze ook vlugger onder de toepassing van de VLAREM vallen en moet er ook voor deze zalen een milieuvergunning aangevraagd worden.
Een andere mogelijkheid is investeren in nieuwe fuifinfrastructuur. Dit moet doordacht gebeuren, met de nodige aandacht voor de bestaande noden. Zo dreigen bijvoorbeeld vooral kleinschalige fuiven te verdwijnen bij gebrek aan een geschikte fuifruimte.(zie nieuwe fuifinfrastructuur)
Top
Overleg met particuliere uitbaters
Het particuliere zaalaanbod kan een niet-onbelangrijke aanvulling vormen op de gemeentelijke fuifinfrastructuur. Goede communicatie en regelmatig overleg tussen de lokale overheid en particuliere zaaluitbaters passen dan ook in het plaatje van een gedragen gemeentelijk infrastructuurbeleid.
Je kan als gemeente de eigenaars van (jeugdwerk)infrastructuur stimuleren om hierin te investeren, via een subsidiereglement dat bijvoorbeeld maatregelen om de geluidshinder te verminderen of om de brandveiligheid te verbeteren beloont.
Daarnaast kan je een overleg opstarten met de verschillende zaaluitbaters.
Zijn ze goed op de hoogte van de wetgeving? Wil de uitbater zijn/haar zaal ter beschikking stellen voor feesten en fuiven? Welke problemen ervaren ze in verband met feesten en fuiven? Hoe kunnen die worden aangepakt? Is er voldoende parkeermogelijkheid in de buurt?
Sommige particuliere zaaluitbaters blijven niet ongevoelig voor de vraag van de lokale overheid, zeker als de organisator bereid wordt gevonden om een draaiboek te volgen.
De gemeente kan uitbaters van particuliere zalen (parochies,…) ook informeren over de billijke vergoeding en hen aanmoedigen om het jaarforfait te betalen.
De Ambrassade vzw I Arenbergstraat 1D I
1000 Brussel I T 02 551 13 50 I
info@ambrassade.be I
www.ambrassade.be