Artikel 119 van de Gemeentewet bepaalt dat een gemeente enkel reglementen en verordeningen kan goedkeuren die niet in strijd zijn met de wetten, decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissie, de provincieraad en de Bestendige Deputatie van de provincieraad.
Beschikt een zaal over een milieuvergunning, dan gelden voor die fuifzaal de voorwaarden uit de milieuvergunning, en niet wat hierover in gemeentelijke reglementen is bepaald.
VLAREM 1 geeft de lijst van activiteiten die als hinderlijk worden beschouwd, de procedure die gevolgd moet worden om een vergunning te verkrijgen, wie controle uitoefent, enz. De activiteiten zijn ingedeeld in drie categorieën volgens de hinder die zij veroorzaken. Voor elke categorie – klasse genoemd – geldt er een andere procedure en/of is andere overheid verantwoordelijk.
Klasse 3-activiteiten zijn meldingsplichtig. Ze zijn weinig hinderlijk of eerder kleinschalig. Voor de activiteit kan starten moet de uitbater het College van Burgemeester en Schepenen hiervan schriftelijk inlichten.
Voor Klasse 2 en 1-activiteiten is er een vergunning nodig. Het gaat om activiteiten die hinderlijker zijn en die bijgevolg aan een uitdrukkelijke, voorafgaandelijke en schriftelijke toelating van de overheid zijn onderworpen.
Voor klasse 2 -activiteiten is het College van Burgemeester en Schepenen bevoegd (gemeente); voor klasse 1 is dit de bestendige deputatie (provinciebestuur).
De milieuregelgeving legt zowel aan de bovenstaande klasse 3 als aan de klasse 2 en 1 activiteiten, een aantal voorwaarden op. VLAREM 2 bundelt deze voorwaarden. De overheid die de vergunning aflevert kan nog bijkomende voorwaarden opleggen. Voor klasse 2 en 3 activiteiten kan het College van Burgemeester en Schepenen dit doen.
Een ingedeelde inrichting is een zaal met een milieuvergunning, een zaal die aan de VLAREM 2-normen voldoet. De VLAREM 1 indelingslijst vermeldt dat Feestzalen en lokalen over een milieuvergunning moeten beschikken wanneer ze een dansgelegenheid omvatten en de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke lokalen 100 m2 of meer bedraagt.
Als de fuif plaatsvindt in een zogenaamde ‘ingedeelde inrichting’ dan zijn de voorwaarden om te fuiven vastgelegd in de milieuvergunning.
In een niet-ingedeelde inrichting gaan er dansactiviteiten door die niet onder de VLAREM – indelingsrubriek vallen en waarvoor dus geen milieuvergunning nodig is:
in tenten georganiseerde dansactiviteiten met een maximale duur van drie opeenvolgende dagen, maximaal tweemaal per jaar, op hetzelfde perceel of dezelfde percelen;
feestzalen of lokalen waarin enkel dansactiviteiten gekoppeld aan bijzondere gelegenheden worden georganiseerd.
Met 'bijzondere gelegenheden' wordt bedoeld dat er een bijzondere reden moet zijn om deze dansactiviteit te organiseren. Bijvoorbeeld: kermissen, carnavals, schoolfeesten, jaarfeesten van een vereniging, huwelijksfeesten, jubileumvieringen,e.d..
In een niet- ingedeelde inrichting mogen er maximum 12 danspartijen (bal, fuif, trouwfeest, …) per jaar plaatsvinden, met een maximum van 2 per maand. Vallen hieronder: openluchtfuiven, de meeste fuiven in tenten, fuiven in zalen waar er slechts occasioneel wordt gedanst (bals, bruiloften, fuiven).
Uitzonderlijk kan dus ook een sporthal, fabriekshal, magazijn, … gebruikt worden als fuiflocatie zonder dat de organisator hiervoor over een milieuvergunning moet beschikken. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een ‘bijzondere gelegenheid’ (bvb. 100-dagen-fuif) of dat de zaal kleiner is dan 100 m2.
Een openluchtfuif is nooit gebonden aan de VLAREM- wetgeving. Ook voor een eenmalige tentfuif is er geen milieuvergunning nodig. Maar volgens de VLAREM I indelingslijst mag de tent maximaal tweemaal per jaar op hetzelfde perceel of dezelfde percelen worden geplaatst gedurende maximum 3 opeenvolgende dagen. Als de tentfuif de derde is op dat perceel gedurende dat jaar, is er in principe dus wel een milieuvergunning nodig. In de praktijk is dat quasi onmogelijk omdat er bij de aanvraag van een milieuvergunning een voorafgaand akoestisch onderzoek moet gebeuren.
Opgelet: een tent geplaatst op het perceel van een ingedeelde inrichting moet in principe voldoen aan de milieuvergunningsvoorwaarden van de zaal. In de praktijk is dat echter vaak niet haalbaar.
Het sluitingsuur dat een gemeente via een politiereglement uitvaardigt is enkel van toepassing voor niet-ingedeelde inrichtingen. Voor ingedeelde inrichtingen geldt het sluitingsuur dat vastgelegd is in de milieuvergunning. Is er in de milieuvergunning niks bepaald, dan geldt er een sluitingsuur tussen 3u en 7u s’ochtends uitgezonderd op zon- en feestdagen. (Art. 5.32.2.2.§2 Vlarem II)
De geluidsnormen vastgelegd in het KB van 24 februari 1977 gelden enkel voor niet- ingedeelde inrichtingen. De fuiforganisator kan de gemeente om een uitzondering op deze geluidsnormen vragen. (zie ook éénloketsysteem > minimale functies)
De geluidsnormen van een ingedeelde inrichting worden bepaald in de milieuvergunning. De normen zijn zeer sterk afhankelijk van de isolatiegraad van het gebouw waarin de fuif plaatsvindt. Ook het gebied waarin de zaal zich bevindt is belangrijk. Zo mag je in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen meer lawaai maken dan in een woongebied. Tenslotte speelt ook het tijdstip een rol. Overdag mag je meer lawaai produceren dan ’s avonds of ’s nachts (na 22u00).
De meting van de decibelnormen van het KB van 24 februari 1977 en VLAREM gebeurt op een andere manier. Dit komt door de ijking van de toestellen. Ambtenaren van de gemeente die hiervoor aangeduid zijn door de Burgemeester en die een speciale opleiding hebben gevolgd kunnen zowel voor niet- vergunde als voor vergunde zalen controleren of de geluidsnormen gerespecteerd worden.